Soms overvalt je een taaltrombose, een huiveringwekkend maar verder onschadelijk haltmoment waarop alle vanzelfsprekendheid van blind gebezigde huurfrases van je afvalt en de woorden nietszeggend in de ruimte klinken als een nietige verplaatsing van luchtdeeltjes.
Je hoort jezelf ineens praten als een afgevlakt typetje, een willoze jargonjoker, en zinnen zeggen die je tong ergens in haar spartelrepertoire heeft opgeslagen, zonder dat jullie daar ooit samen voor hebben geoefend.
Door te lang rond te dartelen in de bakfietsbubbel der blijde bourgeoisie ben je langzaamaan ingepakt door de fluwelen disciplinering van een schijnbaar onschuldige gemeenschapstaal. Je vraagt je niet langer af welk idee onder het woord schuilgaat, je rent liever over de regels dan dat je semantisch gaat sleutelen. Iemand verlaat huis en haard om ‘meer zichzelf te zijn’ in Zuid-Frankrijk, dikke prima. Een ander plaatst ‘normaal nooit berichten over zijn burn-out’, maar nu toch, onwijs dapper. Hè kijk, hier een beleidsmaatregel om ‘leerlingen meer eigenaar te maken van hun leerproces’, supermooi.
Mijn taaltrombose kwam laatst in fasen. De uitdrukking moest zich een paar keer herhalen, voordat het als een syntactisch stolsel plotseling een puntpropje kon vormen in mijn woordenstroom van alledag. De eerste aanzet kwam tijdens een ochtendcollege, waarin we als docenten-in-opleiding discussieerden over leerlingen met een gedragsprobleem. Het belangrijkste was dat zij zich ‘gehoord en gezien voelden’. Iedereen knikte dusdanig heftig van ‘ja’ dat onze hoofden als bobbleheads van hun veer leken te springen.
De tweede maal dat ik deze kruimelkreet zonder pardon doorslikte, was tijdens een gesprek aan de lunchtafel waarin we aandachtig luisterden naar het ontroostbare hartzeer van Sas wier relatie was gestrand. Ze begreep niks van zijn beweegredenen en voelde zich totaal ‘niet gehoord’.
Later in het gesprek merkte een flemende liefdesdokter met een broodje gezond tussen de kaken op dat het toch echt onmisbaar is voor een relatie om je ‘gezien te voelen zoals je bent’. Er volgde een eensluidend ‘Amen!’ en Sas nam vergenoegd een hapje van haar snackwortel.
Die middag had ik nog een sollicitatiegesprek dat bepaald niet vlekkeloos verliep. In een sardientjeswagon terug naar huis stortte ik al bellend mijn hart uit, en binnen enkele zinnen bezondigde ik mij aan wat Heidegger het Gerede noemde: beuzelpraat van een onnozelaar die gevangen zit in een stringent narratief en dat klakkeloos napraat. Ik fulmineerde als een tekortgedane zielenpoot, omdat ik mij ‘niet gehoord en gezien voelde’ tijdens het gesprek.
Na die geleende woorden uit de warwinkel sloeg de taaltrombose machtig in en werd ik even uit het nu geheven. Ik zag alle treinreizigers als verloren figuranten om me heen staan, zoekend naar de hoofdrol in hun haperende biopic, schuw voor de juiste verbinding onderling. En ik, zwijgzame zondaar in het zinnenrijk, kreeg de taal niet meer gerijmd met mijn innerlijk.
Je niet gehoord of gezien voelen, leek me plots een existentiële smeekbede, een tenhemelschreiende noodkreet, waaraan een menselijk instituut of medewezen nimmer kan voldoen.
We proberen het echter wel met inclusief taalgebruik, zoals laatst nog bleek uit de gelekte taalgids van het ministerie van OCW. Maar kan taal als inherent ratelend werktuig iedereen insluiten, mag er zo’n immense heilsbelofte van uitgaan? En als het criterium van inclusieve taligheid bij de grillen van de toehoorder ligt, is er dan wel een coherente omgangstaal mogelijk? Waarom spreekt niemand over de onvermijdelijke kwetskans van taal en wat het van je mentale weerbaarheid vraagt, als je je eens niet gehoord of gezien voelt?
‘Hallo...Henrik?’, klonk mijn telefoonmakker paniekerig.
‘Ja sorry, ik raakte even afgeleid. Ik bedoelde dat ik de indruk kreeg dat ze me niet begrepen.’
Ik zou na die verpozing in het alfabetische universum niet langer in onoprechte taalclichés vervallen en wilde subiet met een schone lei beginnen. Maar de reactie gaf te denken.
‘Ah stom zeg, was je te veel op je woorden aan het letten?’
Henrik Laban is docent Nederlands en volgt de lerarenmaster