Columns & opinie
Auteur Marcel Möring leest proefschrift over zijn werk: ‘Ik wist niet dat ik het in mij had’
Met ‘een sereen gevoel van onthechting’ las auteur Marcel Möring een proefschrift over zijn vroege oeuvre en woonde hij de promotie bij. Maar dat is prima, betoogt hij: schrijvers hebben namelijk niets te zeggen over de betekenis van hun werk.
Gastschrijver
donderdag 16 april 2026
Illustratie Michiel Walrave

Een afstuderende neerlandicus schreef ooit een analyse van In Babylon, mijn roman over een man en een vrouw die vijf dagen doorbrengen in een ingesneeuwd verlaten landhuis op een heuvel in Overijssel. Omringd door vallen, die door een onbekende zijn aangebracht, stoken ze het meubilair op en proberen de kou en de gevaren te overleven, terwijl de een, Nathan Hollander, de ander, zijn jongere nicht Nina, de geschiedenis van de familie vertelt.

Een roman met fantastische elementen, zou je kunnen zeggen, maar stevig verankerd in een realistische setting. De neerlandicus analyseerde dat anders: de hele roman, alle meer dan vijfhonderd pagina’s, bestond alleen in het hoofd van Nathan Hollander. Niets van het gebeurde was ‘echt’.

Radicaal

Ik vond het een verrukkelijke analyse. Weliswaar was het idee van een niet-gebeurde geschiedenis niet in mij opgekomen, maar hier had een lezer zich het boek hardhandig eigen gemaakt. Hij had het boek door zijn lezing herschreven.

Dat is wat de lezer altijd doet, hoewel zelden zo radicaal. Uit de handen van de schrijver en in die van de lezer krijgt de tekst nieuwe betekenis. De schrijver heeft daar niets over te zeggen. Net zomin als leraren Nederlands die menen te weten dat er een goed antwoord is op de vraag: wat heeft de schrijver bedoeld? 

Zelfs als de schrijver ooit publiekelijk heeft verklaard wat hij met een boek bedoelt, is dat nog niet het antwoord op die vraag. Het doet er niet toe wat de schrijver met zijn tekst heeft bedoeld. Het gaat erom wat de lezer leest.

Vorige maand promoveerde Gerda van de Haar in Leiden met een proefschrift dat de titel De affectieve plot, over de vroege romans van Marcel Möring draagt. Toen ik het typoscript las begreep ik voor het eerst wat Olie B. Bommel bedoelde toen hij uitriep: ‘Ik wist niet dat ik het in mij had.’

Dat besef werd nog sterker tijdens de gedachtenuitwisseling tussen de opponenten en de promovendus. Een sereen gevoel van onthechting maakte zich van mij meester.

‘Het doet er niet toe wat de schrijver bedoelt, het gaat erom wat de lezer leest’

Dat kan ook te maken hebben met het feit dat ik, al mijn hele leven ernstig gehoorgestoord, niets van de gesprekken kon volgen, waardoor mijn gedachten afdwaalden naar de totstandkoming van die drie romans: Mendel, mijn debuut, dat ik schreef in een piepklein kamertje met uitzicht op de Blijdorpse binnentuinen achter mijn appartement, waar ik op een dag een jonge vrouw treurend op de trap naar een van die tuinen zag zitten, tot haar moeder verscheen en een arm om haar heen legde om haar te troosten en hoe dat beeld in mijn volgende roman, Het grote verlangen, zou terugkomen; In Babylon, dat ik schreef in het huis aan de Rotterdamse Westersingel dat ik kon kopen door het succes van Het grote verlangen, en dat ik dat boek vooral ’s avonds en ’s nachts schreef, omdat de kinderen nog jong waren en alleen de nacht de oase van rust en stilte bood die ik nodig had om een roman van vijfhonderd pagina’s met heel veel tijdsprongen te schrijven.

koortsdroom

En hoe die boeken begonnen waren, daar dacht ik ook aan, dat wil zeggen waar de kiem van elk boek lag, dat Mendel ontstond uit een koortsdroom toen ik getroffen was door de ziekte van Pfeiffer en ik mij in die droom ineens in de kapsalon van het Enschedese station waande, waar mijn grootvader om onverklaarbare redenen de kapper was, en dat ik in dat kleine kamertje, terwijl ik Mendel schreef, terugverlangde naar de nachtelijke zwerftochten die ik in de omgeving van Assen maakte, rennend door het doolhof van hoge rijen mais om onverwacht uit te komen op een verlaten, maanverlicht boerenerf, een uil die zich losmaakte uit een eik en laag over mijn hoofd scheerde en dat ik dat in mijn eerste boek gebruikte, terwijl het tegelijkertijd de aanzet vormde voor mijn tweede boek.

Associaties, associaties… Of: affecties, affecties…

Terwijl Gerda van de Haar zich verweerde, en ik niets kon verstaan, bedacht ik dat ze met haar onderzoek niet alleen de vinger had gelegd op iets technisch, iets literair-ambachtelijks, maar ook op hoe de wereld in mijn hoofd werkt.

Ooit, iets na mijn veertigste, was ik een aantal jaren in psychoanalyse. Je zou kunnen zeggen, mijmerde ik, terwijl het debat tussen de promovendus en de opponenten richting slotakkoord ging, dat de psychoanalyse en een onderzoek als dat van Gerda van de Haar elkaar ontmoetten als het begin- en eindpunt van een cirkel. Niet dat een cirkel een begin- of eindpunt heeft, maar tegenstrijdigheid is de vrijheid van de schrijver. Als u begrijpt wat ik bedoel.

Gerda van de Haar, De affectieve plot. Over de vroege romans van Marcel Möring, Gompel&Svacina, 473 pgs, €39,90. Promotie was 13 maart