Columns & opinie
Welke plebejerige pauper heeft mijn fiets gestolen?
Opstaan en dan nog half slaperig moeten constateren dat je fiets is gejat. ‘Staand in een overvolle tram, begon mijn bloed te koken.’
Mathijs de Jong
donderdag 2 april 2026

Niet eens zo gek lang geleden was ik plots mijn fiets kwijt. Ik had veel te kort geslapen, en was met een zet-mijn-kist-maar-klaar-humeur opgestaan. Met tegenzin had ik mijn beslapen lijf gewassen, me aangekleed en beantwoordde ik al klompjes oud brood naar binnen proppend een rits aan onbeantwoorde appjes. 

Eenmaal buiten reikte ik automatisch naar mijn fietssleutel en stak deze in een denkbeeldig fietsslot. Denkbeeldig, want de fiets die ik gisteravond op mijn vaste plek had weggezet, was nergens te bekennen. 

Ik keek op de klok, en concludeerde dat ik vijf minuten geleden al moest zijn weggefietst. Gelukkig vielen die vijf minuten nog binnen mijn ingecalculeerde ‘haastmarge’ (laten we het girl math met verloren tijd noemen).

Als een dolle hond keek ik om mij heen. Gezocht: een simpele, zwarte, doch enigszins gammele oma-fiets. Zo gammel dat die onlangs door een fietsenmaker geweigerd werd, omdat - volgens zijn kosteninschatting - repareren duurder zou worden dan een nieuwe kopen (nog even en ik word communist). 

Ik was nu bijna de straat uit en had mijn fiets nog steeds niet gevonden. Maar, zo kwam het in mij op, wellicht dat de winkeliers onder mij de fiets naar de andere kant van de weg hadden gesleept. Voor die zaak woedde immers een koude oorlog tussen het winkelstoepbord en mijn oude barrel. Voor een parkeerplek was alles toegestaan.

‘Volgens de fietsenmaker was het barrel repareren duurder dan een nieuwe’

Nadat ik de andere kant van de straat ook had afgelopen, tevergeefs, besloot ik mijn verlies te nemen en naar de tram te lopen. Ik kon het niet langer ontkennen: mijn fiets was écht gestolen.

Staand in een overvolle tram, begon mijn bloed te koken: welke armoedzaaier, welke drugsverslaafde plebejerige pauper stal er nu weer een fiets? En dan ook nog déze! Een fiets die al half naar de gallemiezen was en waarvoor je hoogstens vijf smerige tientjes zou vangen.

Later die dag, toen ik voor mijn terugreis weer in een afgeladen tram moest staan, was mijn woede omgezet in frustratie: dat er af en toe iets gestolen wordt in het leven, BEST, maar dat het dan uitgerekend mijn énige vervoersmiddel moet zijn, dat leverde knap veel gezeik op.

Moest ik elke ochtend en avond nu de tram nemen om daarna nog in de trein van en naar Leiden te stappen? Dan moest ik nóg vroeger op staan, en ik stond al zo vreselijk vroeg op. Of moest ik gewoon meteen een nieuwe fiets gaan kopen? Een tweedehandse bij de fietsenmaker was bovenmatig duur en ik had geen zin om uren door de krochten van Marktplaats te ploeteren om een betaalbare (niet-toch-stiekem-kapotte) fiets te vinden.

Urggg, waarom had ik mij tot zulke onzin te verhouden?

Totdat het me begon te dagen. Af en toe liep dat ene mannetje door mijn straat. Ongewassen en ongeschoren. Stinkend naar urine. Misschien dat hij mij nog wel een fietsje kon verpatsen.

Mathijs de Jong is student rechten