Columns & opinie
Waarom je niet alle verontwaardiging moet temperen
Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik mijn verontwaardiging op sociale media geuit heb. De bijval die ik daar kreeg gaf me een kortdurend gerechtvaardigd gevoel.
Lieke Smits
donderdag 21 mei 2026

Terwijl ik het Lipsius uitliep, zag ik vanuit mijn ooghoek iets roods wat daar eerder nog niet was. Over het straatnaambordje ‘Cleveringaplaats’ had iemand een rode strook geplakt met een nieuwe naam: ‘Lizzy van Dorpplaats’.

Het ging daarna heel snel in mijn hoofd. Wat mij betreft mogen de meeste mannen wel door vrouwen vervangen worden, maar Cleveringa? Is dat nou de man die je wil overplakken? En geeft zo’n misser het feminisme niet een slechte naam?

Ik was aanbeland bij de kernemotie van het sociale mediatijdperk, het koren op de molen van de ophefindustrie van Big Tech: verontwaardiging.

Bijna had ik die verontwaardiging op sociale media gespuid, maar ik wist mezelf net op tijd tot de orde te roepen. Ik had immers pas nog betoogd dat het uiten van een puur emotionele eerste reactie op bijvoorbeeld de bekladding van het Nationaal Monument niet zo vruchtbaar is, dat je je beter eerst kunt verdiepen in de achtergronden en mogelijke beweegreden zodat je je eigen reactie beter kunt begrijpen en een beargumenteerde mening kunt vormen met oog voor context, geschiedenis en retorica. De academische weg, zeg maar.

Het lukt me heus niet altijd om mijn verontwaardiging op tijd te temperen. Het ging bijvoorbeeld mis toen ik een tijdje geleden een koffieafspraak had in het Literair Café en een bordje met de tekst ‘No-study-zone’ op mijn tafeltje aantrof. Dat vond ik wat opmerkelijk, niet mogen studeren in een universiteitsgebouw. Het kwam echter niet bij me op dat die bordjes ook op mij van toepassing waren. Ik ben immers geen student.

Totdat ik mijn laptop tevoorschijn haalde om even iets op te zoeken voor mijn collega, en me duidelijk werd gemaakt dat de nieuwe regel dat gedrag niet toeliet. Ik bleef in verwarring achter. Is studeren tegenwoordig synoniem aan het gebruik van elektronica? En waarom mag ik als betalende klant niet een paar minuten mijn laptop gebruiken?

‘Spuien over incidenten en individuen is vooral goed voor je eigen gemoedsrust’

Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik deze verontwaardiging op sociale media geuit heb. De bijval die ik daar kreeg gaf me een kortdurend gerechtvaardigd gevoel, waarna ik weer verder kon met mijn dag zonder ook maar iets ten goede veranderd te hebben.

Ook bij de ‘Lizzy van Dorpplaats’ kwam mijn verontwaardiging voort uit verwarring over de boodschap achter het bordje. Vindt de plakker dat er meer straten naar vrouwen moeten worden vernoemd? Of dat Lizzy van Dorp het meer verdient op een straatnaambordje te staan dan Rudolph Cleveringa?

Ditmaal lukte het me niet alleen mijn verontwaardiging te beteugelen, maar ook om die in nieuwsgierigheid om te zetten. Daardoor weet ik inmiddels wie Lizzy van Dorp is en heb ik de protestrede van Cleveringa gelezen. Als dat de intentie achter het bordje was, is de opzet geslaagd.

Niet alle verontwaardiging moet getemperd worden. Een Kamerlid dat mijn collega’s die onderwijzers helpen om Palestijnse verhalen in hun lessen op te nemen beticht van netwerkcorruptie en ideologische beïnvloeding, en oproept tot maximaal geweld tegen Palestijnse vluchtelingen, kan niet anders dan verontwaardigen.

Maar ophef op sociale media over incidenten en individuen is vooral goed voor de eigen gemoedsrust. Alleen vanuit een bredere blik, met oog voor context, geschiedenis en retorica, kan zinvolle actie ontstaan.

Dat is precies wat Cleveringa deed in zijn rede, waarmee hij zich op 26 november 1940 verzette tegen het ontslag van de Joodse hoogleraar Eduard Meijers. Cleveringa’s woorden klinken rationeel en beargumenteerd. Toch is het duidelijk dat ze voortkomen uit emotie.

‘Ik zeide U niet over mijn gevoelens te zullen spreken’, zegt Cleveringa. ‘Ik zal mij eraan houden, al dreigen zij als kokende lava te barsten door al de spleten, welke ik bij momenten den indruk heb, dat zich, onder den aandrang ervan, in mijn hoofd en hart zouden kunnen openen.’ 

Cleveringa wist zijn emoties en zijn gevoel voor moraliteit van argumenten te voorzien en om te zetten in een daad. Voor mij is hij daarmee het toonbeeld van een academicus die zich inzet voor de democratie.

Ik stel voor om de helft van de Leidse straten naar vrouwen te vernoemen, en de andere helft naar Cleveringa.


Lieke Smits is postdoctoraal onderzoeker bij het Leiden University Centre for the Arts in Society