Het college van bestuur geeft aan dat er bij de voorziening van werkruimte op de campus voortaan niet meer zal worden gekeken naar de behoeftes van de staf, maar enkel naar de reeds aanwezige voorraad aan werkplekken en -ruimtes, waar het personeel zich naar zal moeten schikken.
Dit gaat ten koste van de kwaliteit en kwantiteit van ons werk en van ons werkplezier. Maar wat ons meer steekt is de wijze waarop gedane beloftes en toezeggingen door de afdeling vastgoed en het college van bestuur weer worden verbroken.
Met deze maatregel draait het college de normale prioriteiten van een universiteit namelijk radicaal om. In het verleden diende beleid ten opzichte van zaken als huisvesting ter ondersteuning van de activiteiten van de staf, en daarmee ter ondersteuning van de kernfuncties (onderwijs en onderzoek) van de instelling.
Nu wordt de vorm (huisvesting) leidend en de functie (onderwijs en onderzoek) ondergeschikt. Aanleiding voor deze revolutie, volgens vice-collegevoorzitter Timo Kos, zijn de hoge kosten van onze gebouwen en de constatering dat de bezettingsgraad ervan laag is.
Dit is een gotspe. De nieuwbouw zou de kosten drastisch hebben moeten verlagen – en de bezettingsgraad hebben moeten verhogen. Dat is ons althans consequent voorgehouden. Het college van bestuur (in de vorige bezetting) is bovendien uitgebreid uitgelegd dat het door de strot duwen van niet-passende werkruimtes de bezettingsgraad drastisch zou verlagen, omdat medewerkers de rust, de ruimte, de faciliteiten of de boeken simpelweg ontberen om hun boeken en artikelen op de universiteit te schrijven.
Een groot deel van de zogenaamde onderbezetting komt dus doordat recente universitaire bouwprojecten, zoals het Herta Mohrgebouw in Leiden en het Wijnhavengebouw in Den Haag, niet of nauwelijks werkruimtes bieden die geschikt zijn voor gebruik door het wetenschappelijk personeel. Wetenschappers willen stilte, privacy, een bureau, boeken, en een plek voor ontmoetingen met studenten en collega’s.
Kortom, een eigen kamertje, hoe klein ook. In plaats daarvan krijgen ze hooguit een computertafeltje in een grotere, gedeelde kamer met doorkijkvensters en weinig boekenkasten, terwijl ze voor afspraken vooraf een aparte zaal moeten reserveren.
De universiteit hanteert met andere woorden een verjaagbeleid dat de bezettingsgraad laag houdt. En hieruit trekken onze managers, zoals Timo Kos, dan vervolgens de funeste conclusie dat de staf het met nóg minder werkruimte kan en moet doen. Dat is een perverse redenering waarin oorzaak en gevolg omgedraaid zijn. En betekent dit dat gedane beloftes (over werkbaarheid, hogere bezettingsgraad en lagere kosten) onbestraft gebroken kunnen worden met de constatering dat het vorige college weg is? Ons dunkt het dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het huisvestingsbeleid gewoon is overgegaan op het huidige bestuur.
Frivoliteiten
De vicieuze cirkel van ongeschikte werkplekken en afwezigheid van personeel is niet primair ontstaan door gebrek aan ruimte of geld, maar door de verkeerde prioriteiten van bestuurders en beleidsmakers. Zowel in Leiden als in Den Haag is intussen gênant veel ruimte en geld verspild aan frivoliteiten als atria, zittrappen, coffee bars, ‘ontmoetingsplekken’ en peperdure, ridicuul uitziende designer-hanglampen. Dit zijn zaken die met de functies van een universiteit niets van doen hebben.
Voor de gevolgen van verslechterde fysieke werkomstandigheden is herhaaldelijk gewaarschuwd door de staf. In 2023 ondertekenden 103 leden van het Leiden Institute for Area Studies – bijna het voltallige academische personeel – een protestbrief aan toenmalige rector Hester Bijl tegen het herhuisvestingsplan voor hun instituut in het Herta Mohrgebouw. Als bijlage stuurden ze de resultaten mee van een personeelsenquête waaruit bleek dat van de 97 respondenten slechts acht voorstander waren van het plan, terwijl een grote meerderheid het simpelweg ‘onaanvaardbaar’ vond. Hun protest werd genegeerd, maar recent wetenschappelijk onderzoek bevestigt hun gelijk.
Dat goede werkruimtes geld kosten en dus niet leeg en onbenut mogen staan, is uiteraard waar. Dat een deel van het (zij het steeds slinkende) aantal medewerkers dat nog wel een behoorlijke werkkamer op campus heeft, daar te weinig gebruik van maakt, kan helaas ook kloppen – dat krijg je van een slecht passend werkplekkenbeleid.
Hier is echter een vrij simpele oplossing voor, die ook herhaaldelijk doch tevergeefs is voorgesteld: koppel het gebruik van een éénpersoonskamer aan een minimum aantal dagen aanwezigheid. Medewerkers die zich niet aan zo’n plicht willen onderwerpen, hoeven dat niet te doen, maar krijgen dan slechts een meer eenvoudige werkplek in een gedeelde ruimte. Met zo’n evenwichtige regeling wordt de fysieke aanwezigheid van de wetenschappelijke staf aangemoedigd, zonder dat er een algemene aanwezigheidsplicht hoeft te komen, waarvan weinig medewerkers voorstander zijn. En zo worden medewerkers ook niet opnieuw op kosten gejaagd om hun thuiswerkplek naar behoren te outilleren.
Timo Kos wijt de lage bezetting van onze gebouwen aan een ‘cultuurprobleem’ onder de staf. Onze universiteit heeft echter last van een vertrouwens- en verbrokenbeloftenprobleem. Als er één nuttig gegeven voortgekomen is uit het hopeloze ‘werkbelevingsonderzoek’ van vorig jaar, dan is het dat ons vertrouwen in de organisatie – lees: de leiding – van de Universiteit Leiden schrikbarend laag is.
Laat het college dat vertrouwen proberen te herwinnen door de kwestie van huisvesting op een andere manier aan te pakken dan het nu van plan is. En laat de leden van de universiteitsraad hun ruggengraat tonen door niet in te stemmen met plannen die de reeds gapende kloof tussen de medewerkers en het bestuur nóg onoverbruggelijker maken.
Remco Breuker is hoogleraar Koreastudies / David Henley is hoogleraar Contemporaine Indonesiëstudies