‘We kunnen niet anders dan concluderen dat de universiteit als geheel efficiënter met haar gebouwen moet omgaan’, schrijft het college van bestuur in het Strategisch Huisvestingsplan 2026-2035. ‘Gebouwen moeten slimmer worden benut en er worden panden afgestoten.’ Belangrijkste reden: de huidige voorraad is te duur geworden.
In het plan staat dat niet langer per faculteit wordt gekeken wat er nodig is aan kantoren, kamers, collegezalen en labs, maar per campus. Daar zijn er drie van: Campus (Leidse) Binnenstad, de Science Campus en Campus Den Haag.
De raad uitte vorige week al enkele zorgen over het plan, en deed dat maandag nogmaals in het bijzijn van het college van bestuur.
‘Het voelt alsof we te maken hebben met een olifant in de kamer’, zei raadslid Patrick Klaassen (UB). ‘We stoppen heel veel geld in huisvesting, en tegelijkertijd constateren we dat sommige gebouwen best leeg staan. Terwijl we, als we met onze achterban praten, juist horen dat er behoefte is aan veel kamers waar wetenschappers rustig kunnen werken. Wij vragen ons af: komt die leegstand niet omdat we ruimtes aanbieden waar we niet op zitten te wachten, en dus thuisblijven omdat het daar fijner onderzoek doen is dan op de campus? En zo ja, hoe kunnen we de wensen van de gemeenschap beter gaan afstemmen op de investeringen in de gebouwen die we neerzetten?’
‘We zien dat een deel van de gemeenschap inderdaad andere behoeftes heeft, maar dat herken ik niet breed’, antwoordde vice-collegevoorzitter Timo Kos. ‘We moeten de beschikbare ruimte zo goed mogelijk verdelen en dat kan bijvoorbeeld door medewerkers gezamenlijk afspraken te laten maken en met elkaar af te stemmen wie wanneer welke ruimte gebruikt.’
Toch zei Kos ook dat het ‘ontzettend belangrijk is dat medewerkers elkaar tegenkomen op de werkvloer’. Raadslid Nikoleta Yordanova (LAG) wilde dan ook weten wat het college doet om ervoor te zorgen dat medewerkers ‘niet thuis blijven zitten’ en te stimuleren dat ze naar de universiteit komen.
‘Daar doen we op dit moment niet zo veel aan’, erkende Kos. ‘We verplichten mensen niet om op kantoor te werken. Sinds de pandemie werken meer mensen thuis, maar we zien ook dat die trend aan het keren is. We moeten met elkaar bekijken wat we van elkaar verwachten als het gaat om fysieke aanwezigheid. Dat wil ik ook graag aan de afdeling HR meegeven.’
Een van de ingrepen van het college is het loslaten van de norm van een vaste kamergrootte per werknemer. ‘Ik schrok daarvan’, zei raadslid Agur Sevink (UB). ‘Het geeft de indruk dat we straks een bepaalde hoeveelheid gebouwen hebben en dan maar moeten zien hoe we alle mensen erin kwijt kunnen. Hoe gaat dat in de praktijk werken?’
Cultuurprobleem
Kos: ‘De afgelopen jaren voldeed geen enkel gebouw aan de huisvestingsnorm. Sommige zitten erboven, andere eronder. Met de huidige beschikbare financiële middelen zullen we het bij nieuwbouw met minder ruimte moeten doen. Dat betekent dat we soms keuzes moeten maken, maar dat hoeft niet ten koste van werkplekken te gaan. Het kan ook gaan om algemene ruimtes of onderwijsruimtes.’ Volgens Kos is het probleem meer een ‘cultuurprobleem’ dan een ‘ruimteprobleem’.
Daarin moet het bestuur dan wel een actievere rol spelen, vond Gerrit Schaafsma (LAG). ‘Het is aan het college om tegen managers en instituutsbestuurders te zeggen dat er flexibeler moet worden gewerkt. Dat moet van bovenaf komen, want als docent is het heel moeilijk om daar toestemming voor te vragen aan je leidinggevende, die professor is.’
‘Dat is een terecht punt’, erkende Kos. ‘Het is een goede suggestie om te kijken hoe we ons beleid opener en transparanter kunnen maken, zodat iedereen beter op de hoogte is van wat er speelt.’ De raad adviseerde positief over het huisvestingsplan.