Verleden week hing ik nieuwsgierig uit een dakraam ergens in het hartje van onze binnenstad. Een goede vriend van mij, die daar al enige tijd woont, had zojuist zijn beklag gedaan over de geluidsoverlast die door het belendende studentenhuis werd veroorzaakt. En omdat hij zich meer dan eens aanstelt, wilde ik uiteraard zelf nagaan of de overlast echt zo ondraaglijk was.
De tuin, grijs en groen van bemoste tegels, was gevuld met een groep sjaarzig uitziende studenten. Slingers hingen boven hun hoofden, wapperend in de wind. Een zware bas dreunde, echoënd tegen de muren aan.
Ja, dit was inderdaad tyfusherrie.
Maar me er echt druk om maken kon ik niet.
Waarschijnlijk was dat omdat ik er pas net was en na het eten weer weg zou gaan. Mijn acht uur rozenslaap was verzekerd. Maar ik begreep ook iets wat mijn niet-geleerde vriend nooit begrijpen zou: dit was the circle of life.
Ik was namelijk ook ooit een sjaars geweest die de belofte van het feest dat studeren heet overal wilde inlossen. Ik was ook dat omhooggevallen, hufterige ventje geweest dat zich toffer voordeed dan hij was, brallend, bezig ergens dronken te worden, niet doorhebbende er wellicht overlast te veroorzaken.
Maar wat mijn niet-geleerde vriend niet begreep, was dat daar een einde aan kwam, dat je ouder werd en het brak-krokante gevoel op een gegeven moment wel moe geworden was. Dat je op een dag je studie wél interessant begon te vinden, terwijl je eerder vooral je punten wilde halen.
En dat dat einde van jouw studentenleven samenviel met de geboorte van weer een nieuwe sjaars die van heinde en verre gekomen was om precies hetzelfde te gaan doen als wat jij al die tijd gedaan had.
Een wijs man zei mij eens toen ik nog twijfelde over wat ik zou studeren, dat men niet naar de universiteit ging om rechten, wiskunde of filosofie te studeren, maar om kritisch te leren denken.
Dat bleek gelul van de bovenste plank. Als me iets geleerd werd op de universiteit, dan was het wel dat men vooral moest denken wat de professoren en docenten te zeggen hadden. De gelegenheid een eigen gedachte te vormen was daar zelden bij. Maar over de verdere verhogescholisering van de academie wil ik het niet hebben.
Wat studeren – en dus heel uitdrukkelijk niet: de universiteit – me wel geleerd heeft, is om tolerant te zijn, of althans, pogen dit te zijn.
Want wat kon ik anders dan respect hebben voor de dissenting opinion van mijn altijd dwarsliggende bestuursgenootje? Wat kon ik anders dan accepteren dat er voor de zoveelste keer een vrouwencordial als een paramilitaire legertroep mijn fusie bestierde? En wat kon ik anders dan mijn raam open laten staan en oordopjes in doen als het studentenhuis naast ons op een hete zomeravond een feestje gaf?
Ik sloot – toch niet zo tolerant – het raam. De herrie werd amper gedempt. Nog even keek ik naar de nog altijd druk pratende studenten. Om een of andere reden kon ik niet verhinderen dat mijn ogen vochtig werden.
God, wat ging ik dit zooitje missen.
Dit is de laatste column van rechtenstudent Mathijs de Jong