Dit is mijn laatste column van dit academisch jaar, dus laat ik eens met geslepen messen opschrijven wat ik nu echt denk. Nee, dat doe ik niet altijd, ik filter mijn meest onwelgevallige gedachten meestal weg uit mijn columns. Ik sorteer daarmee voor op de teergevoeligheid van de ziel van de gemiddelde lezer. Want teergevoelig bent u wel, als ik mag afgaan op hoe we de universiteit hebben ingedeeld en hoe we met onze studenten omgaan.
Te teergevoelig ben ik bang.
Want wat doen we hier? Wie horen hier te zijn? Ik ben me bewust van de intimiderende normativiteit van deze vraag, maar zie geen reden om hem daarom maar niet te stellen.
Er worden namelijk te weinig moeilijke vragen gesteld. Niet aan de maatschappij hoor – wij zijn kampioenen van het kritisch roosteren van de samenleving en haar misstanden. En dat is conform onze opdracht – want wij zijn toch de trotse luizen in de pels?
Maar ietwat meer zelfkritiek kunnen we best gebruiken. Ik doel op de manier waarop we langzaam maar zeker het zicht lijken te hebben verloren op wat een universiteit zou moeten zijn. Een plaats van denken, discussie, onderzoek, en onderwijs, als u het mij zou vragen, en een plaats waar studenten zich met enige duwtjes in een juiste richting ontwikkelen tot onafhankelijke, kritische denkers.
Die paar duwtjes echter zijn de laatste twintig jaar steeds steviger en dwingender geworden. De tijd dat een student in het diepe werd gegooid en alleen bij acuut verdrinkingsgevaar een reddingsboei kreeg toegeworpen ligt al ver achter ons. Met als gevolg een heel apparaat aan alle mogelijke manieren om studenten die om de een of andere reden hun tentamens niet halen, colleges niet kunnen bijwonen of opdrachten niet kunnen inleveren aan boord te houden.
Nu ja, eigenlijk treden deze maatregelen al preventief in werking als een student aangeeft moeilijkheden te verwachten met de standaardvereisten van een academische opleiding. Gezien de enorme omvang van dit apparaat aan ondersteunende maatregelen moeten we het hier maar eens over hebben.
Hoeveel structurele steun is eerlijk? Wanneer creëer je oneerlijke concurrentie voor die studenten die geen gebruik (kunnen) maken van dit zich steeds maar uitbreidende stelsel van hulpmiddelen?
En de wellicht onprettige hamvraag: is het geoorloofd als een student meerdere gelegenheden krijgt om een tentamen te halen wanneer deze iets niet blijkt te kunnen, en niet wanneer deze, bijvoorbeeld door het doen van twee studies, geen tijd heeft gehad om een tentamen af te leggen? (De andere hamvraag is overigens hoeveel dit steunstelsel de universiteit nu eigenlijk kost en of deze zich niet een rol aanmeet die het niet langer aankan).
Ik constateer al langere tijd, en ik ben niet de enige, dat de onderwijskwaliteit achteruit blijft gaan. We geven hier normaliter geld- en dus tijdgebrek de schuld van, maar de doorgeschoten betutteling van onze studenten heeft ook een nefaste invloed op de kwaliteit van ons onderwijs. We accepteren te makkelijk dat iemand iets niet kan omdat die zegt het niet te kunnen.
We beledigen onze studenten door de lat steeds lager te leggen. Wie durft studenten nog een heel boek te laten lezen? En wat me nog meer dwarszit is dat onze institutionele obsessie met studenten die moeite hebben met studeren de aandacht die excellerende studenten verdienen steeds miniemer maakt.
Die redden het toch wel, is de gedachtegang dan, maar een serieuze universiteit investeert juist ook in studenten die meer willen, meer doen, meer kunnen. Die hun kop boven het maaiveld uitsteken en daardoor nu al snel tegen de grenzen van dichtgetimmerde studieprogramma’s en -regelingen aan lopen. En tegen de lat die in colleges alsmaar lager lijkt te komen liggen. Tegen het wegbezuinigen van honoursonderwijs. Tegen examencommissies die teergevoeliger blijken wanneer geconfronteerd met onvermogen en ellende dan wanneer met door regel en rooster vastgeketende ambitie.
Een spartelende student een helpende hand toesteken is heel wat anders dan een student die watervrees heeft of niet kan of wil zwemmen met een luchtbed naar de overkant pendelen. Verheffen om bij een hoge lat te kunnen is een nobel streven, de lat lager leggen zodat iedereen erbij kan, is zelfvernietiging in vertraging.
De moeilijkste en meestentijds ongestelde vraag staart ons aan: wie hoort hier? En wie niet? En wie gaat hierover?
Remco Breuker is hoogleraar Koreastudies