Columns & opinie
Boeken vernielen blijkt verrassend leuk (en zo bevrijd ik kunstwerken)
‘Als je jezelf aan mensen voorstelt als iemand die foto’s stukknipt, klinkt het alsof je hulp nodig hebt’
Lieke Smits
donderdag 19 maart 2026

Ik ben al jaren op zoek naar een gezonde, creatieve vrijetijdsbesteding. Iets met mijn handen, als tegenwicht voor mijn natuurlijke neiging om zowel onder werktijd als daarbuiten alleen maar te lezen, te schrijven en te scrollen. Maar waar ik iedereen om mij heen enthousiast zag keramieken, zeefdrukken en stofferen, lukte het mij nooit om in een creatieve hobby op te gaan.

Dat komt niet door een gebrek aan pogingen. Zo kocht ik eens een borduurpakket voor een groeimeter, waarmee ik in een paar weken tijd een kraamcadeautje hoopte te fabriceren. Dat bleek iets meer werk dan ik dacht. Na een eindsprint kon ik het een jaar later als verjaardagscadeau geven en sprak ik met mezelf af dat ik nooit meer hoefde te borduren.

Creatieve hobby’s zijn vooral veel gedoe en je moet er ook nog allemaal spullen voor kopen. Bovendien is er weinig creatiefs aan een borduurpatroon volgen, want het resultaat staat al vast.

Maar inmiddels heb ik dan toch een creatieve bezigheid gevonden waar ik plezier aan beleef: collages maken. Het is een duurzame hobby, waar je weinig voor hoeft te kopen. De eerste stap is namelijk het afstruinen van minibiebs op zoek naar tijdschriften en geïllustreerde boeken. Dat is net zo verslavend als de eerste fase van academisch onderzoek: een grote hoeveelheid artikelen downloaden en in een mapje opslaan bij alle andere nog altijd ongelezen pdf’s.

Mijn favoriete stap van het collageproces is het knippen. Boeken kapotmaken blijkt verrassend leuk. De Britse collagekunstenaar Linder verwoordt dit mooi: ze ziet zichzelf primair als iemand die foto’s stukknipt, maar als je jezelf zo aan mensen voorstelt, klinkt het alsof je hulp nodig hebt. Zeggen dat je kunst maakt, geeft je een alibi voor je vreemde gedrag.

Ik zou mezelf geen kunstenaar noemen, maar ik ben wel kunsthistoricus, wat een complicatie met zich meebrengt. De bibliotheken waar ik middeleeuwse handschriften kom bekijken, mogen er geen lucht van krijgen dat ik regelmatig plaatjes uit boeken knip, scheur en snijd.

‘Een gezonde dosis vernielzucht is onontbeerlijk in de wetenschap’

Mijn beste minibiebvondst tot nu toe is een dik, encyclopedisch kunsthistorisch boekwerk. Het soort waarvan ik als eerstejaars kunstgeschiedenisstudent de titels, kunstenaars en data bij de plaatjes moest leren onthouden. Ik ben het boek met volle overgave te lijf gegaan. Mijn drang tot fysieke vernieling viel daarbij volmaakt samen met mijn intellectuele iconoclasme. 

Dat je kunst kunt begrijpen door een selectie die we de canon noemen op een chronologische tijdlijn te plaatsen, alsof er één moment is geweest waarop het ‘af’ was en alles wat daarna kwam receptiegeschiedenis is, geloof ik namelijk niet meer. Door de schaar in het boek te zetten kan ik de kunstwerken bevrijden uit hun bevriezing in de tijd en aan iets uit een hele andere periode vastplakken. Zo kunnen ze eindelijk weer een beetje leven.

Een gezonde dosis vernielzucht is onontbeerlijk in de wetenschap. Je moet bereid zijn de fundamenten van je kennis in twijfel te trekken. Dat betekent niet dat je niets van de wetenschappelijke traditie heel hoeft te laten. Stukknippen betekent ook bewust selecteren, bewaren en herordenen.

De moeilijkste en dus de minst leuke fase van collages maken is de laatste stap: plakken. Daar komen beslissingen bij kijken die onomkeerbaar zijn en waarvan de uitvoering ook nog eens kan mislukken, wat zou betekenen dat al het eerdere werk voor niets is geweest. Ik stel het echte maakwerk vaak uit, loop liever nog een rondje of maak nog wat kapot.

Terwijl je bij het maken van collages deze laatst stap handmatig moet uitvoeren, zou je voor academisch werk bijvoorbeeld AI als schrijfhulp kunnen gebruiken. AI is overigens ook heel goed in dingen stukmaken, maar dat zijn helaas net de dingen die we nog een tijdje nodig hebben: een leefbare planeet en het vermogen eigen gedachten te formuleren.

Dat laatste is nou juist de kern van wetenschap. Toch kan het verleidelijk zijn om woordkeuzes uit te besteden en het werk dat een nog onzekere uitkomst heeft en dus kan mislukken door een machine te laten uitvoeren.

Ik zou het afraden. Zowel denk- als maakwerk wordt pas écht interessant wanneer er iets op het spel staat, wanneer je nog niet precies weet wat het resultaat van je werk zal zijn en wie je na het hele proces te hebben doorlopen zelf zult zijn.

 

Lieke Smits is postdoctoraal onderzoeker bij het Leiden University Centre for the Arts in Society