Eerder deze maand besloot de Universiteit Leiden haar tien jaar durende samenwerking te beëindigen en de financiering van haar on-site kinderopvang De Kattekop stop te zetten. Deze beslissing, genomen in het kader van bredere bezuinigingen, kwam als een verrassing voor zowel ouders als medewerkers. Zij blijven nu achter met onzekerheid in een toch al precair, marktgedreven kinderopvanglandschap – een landschap waarin De Kattekop zich lange tijd had weten te onderscheiden.
De Kattekop werd in de jaren tachtig opgericht door feministische universiteitsmedewerkers om structurele belemmeringen voor werkende ouders, en in het bijzonder vrouwen in dienst van de universiteit, aan te pakken. Als kleine, non-profitorganisatie biedt zij al decennialang betaalbare kinderopvang aan docenten en studenten, een veilige omgeving voor kinderen en een toegankelijke plek op de campus voor werkende ouders die borstvoeding geven. In een sector die sinds de Wet kinderopvang van 2005 steeds sterker door marktlogica wordt bepaald, is De Kattekop een uitzondering gebleven – een uitzondering die ook buiten de universiteit erkenning heeft gekregen. De opvang werd herhaaldelijk uitgeroepen tot beste kinderopvang van Zuid-Holland en eindigde nationaal op de tweede plaats: iets waar een universiteit trots op zou mogen zijn.
Universiteiten functioneren dankzij veel meer dan collegezalen en laboratoria alleen. Naast zichtbare infrastructuur bestaat er een geheel aan materiële voorwaarden die het mogelijk maken dat medewerkers en studenten volwaardig kunnen deelnemen aan het academisch leven. Betaalbare, hoogwaardige en nabijgelegen kinderopvang is daar één van. Wanneer ouders niet kunnen rekenen op stabiele opvang, worden onderwijsschema’s kwetsbaar, komt onderzoekstijd onder druk te staan en wordt deelname aan het afdelingsleven ongelijk verdeeld. Dit zijn geen individuele ongemakken, maar factoren die het dagelijks functioneren van de universiteit als geheel beïnvloeden.
In de publieke communicatie is de beslissing gepresenteerd als een maatregel zonder gevolgen voor onderwijs en onderzoek, waarbij wordt gesteld dat kinderopvang ‘beschikbaar blijft’ en dat De Kattekop slechts door een relatief kleine groep wordt gebruikt. Deze framing miskent hoe kinderopvang in de praktijk functioneert. De Kattekop zit vol en moet regelmatig gezinnen afwijzen. De opvang biedt 56 plekken per dag – niet voor 56 gezinnen in totaal – en vangt in de praktijk meer dan 80 gezinnen op, zowel Nederlandse als internationale, door de opvang over de week te spreiden. Ouders krijgen vaak vier opvangdagen aangeboden in plaats van de vijf die zij nodig hebben, juist om meer gezinnen te kunnen toelaten.
Zoals de meeste verantwoord gerunde kinderopvangorganisaties werkt De Kattekop met een bezettingsgraad van ongeveer 90 procent. Dat is geen teken van onderbenutting, maar een voorwaarde voor kwaliteit. Een zekere buffer is noodzakelijk om ziekte, wisselende roosters en nieuwe instroom op te vangen zonder in te leveren op veiligheid of zorg. Capaciteitsgrenzen mogen daarom niet worden verward met gebrek aan vraag, net zomin als alternatieve opvangoplossingen kunnen worden gezien als bewijs van overbodigheid. In een context van chronische tekorten en stijgende kosten hebben gezinnen vaak weinig andere keuze dan oplossingen bijeen te sprokkelen waar dat maar kan.
Voor met name jonge onderzoekers, studenten en internationale medewerkers kan toegang tot stabiele en betaalbare kinderopvang bepalend zijn voor de vraag of deelname aan het academisch leven überhaupt mogelijk is. Kinderopvang als optionele voorziening behandelen, dreigt juist de ongelijkheden te versterken die universiteiten zeggen te willen bestrijden.
Universiteiten benadrukken terecht hun inzet voor excellentie, inclusie en gelijke kansen. Die ambities zijn moeilijk vol te houden wanneer kinderopvang wordt beschouwd als een randvoorziening in plaats van gedeelde infrastructuur. Kinderopvang staat niet los van de universitaire missie; zij is één van de voorwaarden waaronder onderwijs en onderzoek tot stand komen.
Universiteiten worden niet alleen beoordeeld op wat zij onderwijzen, maar ook op hoe zij de materiële voorwaarden van het academisch leven organiseren – en op de mate waarin zij kinderopvang erkennen als onderdeel van het fundament waarop hun academische gemeenschap rust.
De petitie kan hier worden getekend.
Elsa Charléty is docent aan het Instituut voor Culturele Antropologie en Ontwikkelingssociologie. Ze heeft twee dochters: een zit nu al bij De Kattekop en een wordt er binnenkort opgevangen.