In de memo ‘Onderwijsinzet (en andere taken)’ stelt het rechtenbestuur voor dat promovendi die in dienst zijn bij de faculteit maximaal twintig procent van hun tijd besteden aan onderwijs én eventuele andere taken die niet vallen onder onderzoek, waar ze zich tachtig procent van de tijd op moeten richten.
‘In beginsel wordt uitgegaan van het geven van maximaal tien procent onderwijs, gemiddeld over drie jaar’, staat in het stuk. ‘Er is ook een jaar dat de promovendus geen onderwijs geeft. Daarnaast besteedt de PhD’er gemiddeld over vier jaar maximaal 10 procent van de tijd aan taken die niet met het promotieonderzoek en het geven van onderwijs te maken hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om het organiseren van ‘onderzoeksbijeenkomsten of conferenties, de ondersteuning van academische netwerken, of het bijdragen aan het runnen van tijdschriften’, aldus de memo.
‘Er is al lange tijd discussie over hoeveel onderwijs promovendi geven’, zei Katrien Klep, de directeur van de graduate school, tijdens de faculteitsraadsvergadering. ‘En ze doen ook nog allerlei andere zaken naast onderzoek en onderwijs en dat kwam nog nergens expliciet aan de orde. Het doel van dit stuk is om daar een einde aan te maken.’
In het plan staat dat het in principe mogelijk is om ‘de onderwijsinzet te verruimen naar maximaal twintig procent’, maar de promovendus kan dan geen andere “niet-promotie gerelateerde” taken verrichten. Het is dan ook onwenselijk om deze afspraak te maken voor de volledige duur van het promotietraject.’
Tijdens het onderwijsvrije jaar kan promovendi wél gevraagd worden om tien procent taken uit te voeren die geen betrekking hebben op onderzoek en onderwijs.
Het is heel belangrijk dat PhD’ers één jaar onderwijsvrij zijn, benadrukte Klep. ‘Daar hebben ze ook gewoon recht op. Daarover moeten ook met de afdelingsvoorzitter afspraken worden gemaakt. Het is heel nadrukkelijk niet de bedoeling dat ze dat jaar gaan “inverdienen” door in andere periodes meer onderwijs te geven.’
Duidelijkheid
‘Het is voor PhD’ers heel belangrijk dat er meer duidelijkheid komt’, reageerde Lotte Baas van personeelspartij PP. ‘Dat het onderwijsvrije jaar een harde regel wordt, is erg fijn. Niet elke afdeling biedt dat nu aan. Er zijn kleine afdelingen die zeggen dat ze daar geen ruimte voor hebben in hun werkverdeling. Of de promovendi geven dan geen regulier onderwijs maar begeleiden wel scripties, of ze geven het LLP-eerstejaarsbegeleidingsvak.’
‘Je zit wel met een handhavingsprobleem’, vond personeelsraadslid Gelijn Molier (Onafhankelijken). ‘Hoe ga je dit allemaal controleren? Het moet de hoogleraren echt duidelijk zijn dat bijvoorbeeld het onderwijsvrije jaar een harde regel is, anders gaat het niet gebeuren.’ Promovendi moeten zelf ook heel goed op de hoogte zijn. ‘Anders worden ze toch onzeker in een gesprek met hun promotor en geven ze te veel toe.’
‘De memo is bedoeld als houvast voor het gesprek van de promovendus met de promotor en de afdeling’, zei vice-decaan Jan Crijns. ‘Als dat goede gesprek er niet is, werkt het ook niet. Maar we willen er echt vanaf dat het onderwijsloze jaar er niet komt omdat er bijvoorbeeld een gebrek aan personeel is. Deze regel moet er in slijten en dat kan als we dat met z’n allen doen.’