Nieuws
Buitenpromo­vendi hoeven (nog) niet te betalen
Voorlopig wordt er niet universiteitsbreed een fee voor buitenpromovendi en extern gefinancierde PhD’s ingevoerd. Wel moeten beurzenverstrekkers betalen voor het gebruik van de universitaire faciliteiten.
Vincent Bongers
donderdag 28 mei 2026
Foto Marc de Haan

Het college van bestuur wilde graag universiteitsbreed buiten- en beurspromovendi een fee laten betalen voor het gebruik van universitaire faciliteiten. Sommigen doen dat nu al. Bij de faculteit Geesteswetenschappen zijn de kosten voor buitenpromovendi bijvoorbeeld 400 euro per jaar, beurspromovendi betalen er jaarlijks 2.800 euro.

Vorig jaar was het plan dat deze groepen PhD’s op alle faculteiten moesten betalen: per jaar duizend euro voor buitenpromovendi en maar liefst 15 duizend euro voor beurspromovendi (te betalen door de beurzenverstrekker). Promovendi in dienst van de universiteit zijn uitgesloten van de heffingen.

De universiteitsraad gaf echter een negatief advies over het voorstel en had met name kritiek op de fee voor buitenpromovendi. Het was niet duidelijk hoe het college aan het bedrag van duizend euro kwam. Verder maken veel buitenpromovendi nauwelijks gebruik van de faciliteiten. Diende de heffing als prikkel om buitenpromovendi wat sneller te laten werken?

Beursverstrekker betaalt

Het college heeft nu besloten om de fee voor extern gefinancierde en buitenpromovendi ‘on hold te zetten’. Eerst wordt afgewacht hoe de pilot met fees voor buitenpromovendi bij Geesteswetenschappen uitpakt, wellicht volgt dan alsnog een nieuw voorstel.

In een nieuw plan staat expliciet dat de universiteit een fee van jaarlijks 15 duizend euro gaat vragen aan organisaties en instellingen die onderzoekers een beurs geven om in Leiden te promoveren. Deze promovendi gaan dus niet zelf de universiteit betalen.

‘De ene beursverstrekker krijgt wel een fee aan zijn broek en de ander niet’

‘Het feebeleid is gericht op grote en financieel draagkrachtige beurzenverstrekkers die wereldwijd grote aantallen promovendi van een beurs voorzien’, staat in het voorstel. ‘Het gaat niet om beursverstrekkers die eenmalig een bedrag uitkeren, bijvoorbeeld om veldwerk of congresbezoek mee te kunnen financieren.’

‘gratie op lokaal niveau’

De universiteit wil niet al te kapitaalkrachtige beursverstrekkers ontzien. ‘Er zullen mogelijkheden zijn voor het geven van een korting of kwijtschelden van de fee via een zogenoemde waiver. Dit zal met name van toepassing zijn voor kleine beursverstrekkers, vaak stichtingen en beursverstrekkers in landen met minder economische slagkracht.’ Daarbij geldt dat ‘het faculteitsbestuur bepaalt wanneer een korting of volledige waiver van toepassing is’.

De universiteitsraad heeft daar nog de nodige twijfels over. ‘Het hangt nu af van de faculteit of er waiver volgt of niet’, zei Agur Sevink van personeelspartij UB tijdens de raadsvergadering. ‘Er worden alweer uitzonderingen gemaakt terwijl het eigenlijk een uniform beleid zou moeten zijn. Ik vind dat moeizaam. Als beursontvanger en verstrekker kun je hier niet op vertrouwen. De ene beursverstrekker krijgt wel een fee aan zijn broek en de ander niet.’ 

Mark Dechesne van personeelspartij LAG vond dat niet erg problematisch: ‘Je kijkt per geval. Op zich is dat haalbaar.’ Het gaat er echt om dat kleine fondsen, projecten en organisaties met weinig middelen ook beurzen kunnen blijven verstrekken, legde Gerrit Schaafsma (LAG) uit. ‘Die moeten niet afgeschrikt worden, dat begrijp ik’, aldus Sevink. ‘Maar de waiver blijft toch een soort gratie op lokaal niveau.’ Op 1 juni spreekt de raad met het college over de plannen.