We lijken de laatste jaren zo druk met het Nederlandse koloniale verleden en de eigen verantwoordelijkheid, dat we niet door hebben dat we zelf volledig worden gekoloniseerd door de Amerikaanse techbaronnen. Van alle Europese landen zijn wij het meest digitaal gekoloniseerd. In zijn boek Kolonisten van de cloud beschrijft voormalig Microsoft-lobbyist Jochem de Groot hoe makkelijk Nederlandse overheden zich hebben overgeleverd aan de Amerikaanse leveranciers van servers en software.
Dat is juist voor universiteiten een groot probleem. De Utrechtse hoogleraren José van Dijck en Albert Meijer betogen in Naar collectieve digitale autonomie van Nederlandse universiteiten niet alleen dat autonomie essentieel is voor universiteiten, maar ook dat universiteiten hierin maatschappelijk een bijzondere rol hebben. Ons bestaansrecht is immers ‘deels gebaseerd op de kernwaarde om onafhankelijk onderzoek te doen, te innoveren en kennis te ontwikkelen.’
Hoe kunnen we anders een bron zijn van betrouwbare kennis en een onafhankelijke bijdrage leveren aan de samenleving? Die kernwaarden van onafhankelijkheid en betrouwbaarheid zijn onverenigbaar met onze extreme afhankelijkheid van een kleine groep monopolistische tech-leveranciers.
Miljarden aan licenties
De parallel tussen de huidige tech-afhankelijkheid en kolonialisme is niet ver gezocht. Want terwijl er miljarden aan licenties worden betaald, blijft de ontwikkeling van eigen kennis en kunde achter. Nederlandse belastinggelden en onderwijsbudgetten stromen direct naar de rekeningen van techgiganten zonder dat het eind in zicht komt.
In ruil daarvoor krijgen we digitale spiegeltjes en kralen. Precies zoals kolonialisme in de ingepikte gebieden leidde tot het terugdringen van lokale industrieën en kennisinstellingen, blijft onze technische kennis en ontwikkeling achter door de huidige tech-afhankelijkheid.
Aan het begin van de innige trans-Atlantische vriendschap schreef Jacob Presser, deels in bezettingstijd het lucide en bij vlagen geestige boek Amerika, van kolonie tot wereldmacht (1949). Het eindigt met de verschillende posities in de Europese discussie over de wenselijkheid van Marshall-hulp. Presser voorzag zowel de kansen als de gevaren. Dankzij de investeringen destijds konden Europa en Amerika zich aan een gezamenlijke groei optrekken. Nu, aan het einde van de trans-Atlantische vriendschap dreigt een onomkeerbare verzuring in de verhoudingen. De tachtigjarige symbiotische relatie tussen Europese en Amerikaanse welvaart is op het gebied van IT aan het transformeren tot een parasitaire dominantie.
Als je dit artikel leest op een telefoon die verkocht wordt door een Amerikaanse leverancier en met software uit dat zelfde land, lijkt die dominantie misschien onvermijdelijk. Maar kolonialisme zit voor een groot deel in de hoofden van de gekoloniseerden.
Genoeg alternatieven
De dertien Verenigde Staten die zich in 1776 losmaakten van het Britse Rijk hadden vooral een ideologische barrière te slechten. Ze moeste gaan geloven dat ze zichzelf konden besturen. Daarna was het snel afgelopen met de Britse overheersing en brak een periode van ongekende dynamiek aan.
Ik schrijf dit stuk met OnlyOffice. Het programma slaat mijn voortgang automatisch op in SurfDrive. Dat kan dankzij SURF, een samenwerking van Nederlandse onderwijsinstellingen. Als ik zou willen zou ik de tekstverwerker kunnen koppelen aan een AI-model naar keuze, de Europese vertaal-AI DeepL en mijn reference manager zijn al volledig geïntegreerd. Wat Microsoft ons biedt met Teams en Co-pilot is minder bijzonder dan ze ons willen doen geloven.
Straks ga ik verder met het organiseren van een internationale workshop. De bestanden worden gelijktijdig bewerkt door meerdere projectleden — buiten de Amerikaanse cloud. Dat is technisch niet zo bijzonder meer. Ja, Google drive werkt fijn, maar de Nederlandse, Europese en Open Source alternatieven liggen voor het oprapen.
Wat zou er gebeuren als we de gelden van Microsoft-licenties steken in onze eigen ontwikkeling?
In het historische onderzoek gebruiken we taalmodellen die in Europa werden ontwikkeld om handgeschreven historische teksten machinaal doorzoekbaar te maken. Als we hadden gewacht tot een Amerikaanse techbaas opdracht had gegeven om deze techniek te ontwikkelen, dan waren we nog lang niet zo ver als we nu zijn. Het kost wat, maar dan heb je ook iets waar je echt iets aan hebt.
Bangmakerij
OpenAI, Microsoft en Google zullen dit semester agressief hun producten opdringen aan studenten, docenten en bestuurders. Ze zullen weer lijstjes doen uitgaan van onveilige producten en waarschuwen dat alleen zij veiligheid bieden. Het is bangmakerij, terwijl het echte gevaar onze afhankelijkheid is.
Partijen die met gevoelige informatie omgaan kunnen nu bij Microsoft een certificaat krijgen dat hun gegevens alleen in Europese clouds staan. Maar het inkopen van schijnveiligheid vertraagt onze eigen ontwikkeling.
De toekomst ligt bij schaalbare decentralisatie die is toegesneden op de concrete noden van de gebruikers—niet bij het invoegen van overbodige toepassingen die ons van over de oceaan worden opgedrongen. Ons eigen ICT Shared Service Centre (ISSC) lijkt gevangen in een spagaat. Het Meerjarenplan 2025-2028: Werken aan waarde legt veel nadruk op ‘digitale soevereiniteit’ en ‘het beperken van afhankelijkheden’ maar gaat ook aan de slag met het opzetten van Microsofts Azure Landing Zone.
Juist Nederlandse universiteiten zijn, dankzij hun eerdere investeringen in samenwerkingen goed gepositioneerd om een nieuwe koers te gaan varen. Maar dat vraagt wel om bestuurders die concrete stappen zetten richting digitale autonomie.
We kunnen het de ‘kolonisten van de cloud’ niet kwalijk nemen dat ze proberen te groeien en onze grote gemeenschap als laaghangend fruit zien. Van Dijck en Meijer benadrukken dat er nu een kans is om de eigen capaciteiten op te bouwen en de afhankelijkheden af te bouwen. Het maatschappelijke draagvlak is er inmiddels, wat we nu nodig hebben is durf en visie om te investeren in onze autonomie.
Karwan Fatah-Black is universitair docent sociale en economische geschiedenis