Terwijl de goede voornemens in laat januari met de schaarse sneeuwval alweer zijn gesmolten en de winteravonden nog steeds in genadeloze donkerte de dagen kleineren, druppelen de ouders van mijn leerlingen een voor een binnen voor een heilzaam functioneringsgesprek over hun kind.
Het is het zoveelste onvoorziene extraatje als docent op een middelbare school: je bent behalve lesboer op slag klantenservicemedewerker, maar dan onbetaald, voorbij zessen en terend op het laatste saucijzenbroodje uit de kantine.
Halverwege de eindeloze luistersessies waarin je vooral problemen en zorgen van ouders glimlachend en omzichtig moet terugkaatsen naar hun eigen opvoedingsterrein, zie ik een troetelmoeder teruglopen naar mijn lokaal, met wie ik hoopte tot een acceptabel ‘HB-leermeer-actieplusplan’ te zijn gekomen voor haar kansparel.
Ik hoor haar vlakke hakjes zenuwachtig in mijn oor galmen op het rusteloos ritme van haar miemelstem waarmee ze me zojuist de oren van het hoofd vroeg. Ik probeer voorzichtig mijn lokaal in te vluchten door net te doen alsof me iets te binnen schiet, maar ze is me voor.
‘Meneer Laban! Hallo! Meneer Laban!’ Ach, denk ik tenslotte, hiervoor sta ik hier toch vanavond, laat ze me dan maar helemaal leegtrekken, en ik beantwoord haar geroep met een knikje.
‘Ik wilde u nog even bedanken voor het feit dat Kemal weer sinds tijden een heel boek heeft gelezen. Het gebeurt toch zelden meer vandaag de dag dat ze een boek helemaal uitkrijgen, wie vraagt dat nog van ze? Maar in uw lessen ontkomen ze er niet aan. Dank u wel!’
Ik was aangenaam verrast door dit bijzondere compliment en we babbelden geanimeerd nog wat na over leesonderwijs, boekenlijsten en haar eigen goeie ouwe schooltijd, waarin ze ook nog hele boeken lazen.
Tjongejonge, een heel boek, moet je nagaan. Je begon bij een kwetsbare cover, bloot voor het blote oog, en je doorkruist alle pagina’s op de trage tred van een kuierende pelgrim, op zoek naar een zin achter de zinnen, totdat er ergens een laatste punt valt, en je je reis hebt voltooid in de sprekende ruimte van het bezielde wit en je als een nieuw mens herrijst uit oud papier. Een heel boek, dat is geen tijdverdrijf of huiswerk, maar een levensreis, geestesvuur, bekering. Een heel boek, sla je nooit dicht, maar breekt je open. En wie leest er nu nog een heel boek?
Studenten in ieder geval niet. Het hoeft ook niet, want niemand vraagt van ons om voor welk vak dan ook een heel boek te lezen. We lijden universiteitsbreed aan chronische paperitus, een hoogst actuele en ernstige kwaal die bollebozen schandelijk koeioneert.
Werkelijk, het is paper na paper, alsof we niet de aandachtspanne of het denkvermogen hebben om meer dan dertig pagina’s te lezen. Maar oh nee, help! Studielast en prestatiedruk. We moeten het wel passable houden en study overloads voorkomen. Daarom doen we aan tailored study content en vragen we van het studentengrut om drie bulletpoints plus een conclusie te onthouden, of althans, de slides van Brightspace twee uur voor het tentamen niet te vergeten.
Alsjeblieft zeg, wanneer worden we een keer serieus genomen en boven ons snelstudeer-niveau uitgetild? Laat ons knauwen en sjouwen met hele boeken, een argumentatieve samenvatting schrijven, hoofdstukken analytisch aan elkaar verbinden, voorbeelden op overtuigingskracht toetsen, ter plekke de rode draad verwoorden, oftewel met bloed, zweet en tranen opgedane studievaardigheden van onze middelbareschooltijd doorontwikkelen.
Laat ons niet verzwelgen in de klikkolder van een efemere swipewereld vol kant-en-klare AI-antwoorden, maar broeden op een idee, bijten op bladzijden en boren in gedachtegangen. Geef ons minstens per collegeweek een heel boek, niet een reeks voorspelbare pauperpapers, niet een banaal opinieartikel van achthonderd woorden, niet de introductie van Orientalism, maar gewoon een heel boek. Als iets ons kan onderscheiden in dit manische mediatijdperk is dat we na onze studententijd kunnen zeggen, dat we wel een heel boek hebben gelezen.
Henrik Laban is docent Nederlands en volgt de lerarenmaster