Ver buiten de singels lag eens een studentenflat die heel knorrig was.
Omdat ik de zoveelste keer was afgewezen tijdens het hospiteren – ik haalde altijd de laatste ronde, maar werd het vervolgens niet – had ik besloten het anders aan te pakken.
Ik dacht: als ik het telkens nét niet word op de gave A-locaties, misschien dat ik het dan maar moet proberen op een nét-niet-B-locatie.
Dat werd: de Vrijheidslaan.
De Vrijheidslaan is een vrij korte laan die het leuke stukje Leiden buiten de singels (de Herenstraat) met het wat minder leuke stukje Leiden buiten de singels (de Vijf Meilaan) met elkaar verbindt. Het ligt in het ge-wel-di-ge stadsdeel Tuinstadwijk en hoewel geen enkele student deze bezit, ben je met de auto sneller op de N206 dan in het centrum van de stad.
Aan die Vrijheidslaan ligt een kubusachtig gebouw, met droeftoeterige stalen balken en idem balkonnetjes die helaas niet hoog genoeg zijn om jezelf er vanaf te kunnen werpen (daar moeten we DUWO dan weer voor complimenteren). En nu er op nummer 900 een kamer vrijkwam, en u inmiddels zelf wel begrijpt dat bovenstaande bepaald geen gave A-locatie betreft, besloot er ik te hospiteren.
Het zou mijn dertiende hospiteeravond worden, en ik was dit keer eens niet op tijd. De fusie die midden in de gang lag – eigenlijk is elk ‘huis’ aan de Vrijheidslaan gewoon een ‘gang’ van belendende kamers – zat vol met jongens van mijn leeftijd. Ik nam mijn tegenkandidaten vluchtig op en concludeerde aan het uiterlijk alleen dat het merendeel iets bèta-achtigs moest studeren, en dat mijn kansen er dit keer dus prima voor lagen.
Maar voordat we begonnen, kregen we eerst een rondleiding.
Ik was onder de indruk van hoe proper het overal was. Er stonden geen kratten bier op het balkon, er schimmelden geen zwarte onbeduidende draden in de douche, het aanrecht was leeg (!) en het stonk nergens.
Eenmaal terug in de fusie begon het echte hospiteren. Er waren daarbij enkele dingen die mij opvielen ten opzichte van de hospiteeravonden bij de ‘gave’ studentenhuizen op de A-locaties.
1. de inwoners van huize 900 (geloof het of niet, maar toen ik er kwam wonen had het huis nog geen eigen naam) waren lief, en niet cynisch en sarcastisch
2. de hospiterende studenten lepelden niet aan de lopende band clichés op (‘ik houd van gezellig drankjes doen, maar ook van Netflix op de bank’)
3. het voelde voor het eerst gemoedelijk en relaxed en niet als een auditie voor het cringerige televisieprogramma Holland’s Got Talent (eens heb ik voor een hospiteeravond in de laatste ronde een rietadt getrokken alsof mijn leven ervan afhing: de snelste kreeg de kamer).
De avond was voorbij. Ik had geluk en kreeg de kamer. En hoewel dat mij niet bovenaan plaatste in de Leidse gaafheidspikorde – uiteindelijk bleek niets daartoe in staat, geen zorgen – had ik wel een kamer in een huis zonder schimmelsporen in de douche en zonder vieze vaat op het aanrecht.
En niet onbelangrijk: het was een huis dat wél bij me paste.
Mathijs de Jong is student Rechten