Nieuws
Defensie aan de universiteit: ongewenst of noodzakelijk?
Het college van bestuur blijft de samenwerking met Defensie bij twee nieuwe minoren verdedigen, ondanks zorgen van de universiteitsraad. ‘Pas nadat de beslissing is genomen, zeggen jullie: we moeten er breder over praten.’
Sebastiaan van Loosbroek
donderdag 4 juni 2026
Beeld Ministerie van Defensie

De universiteitsraad ziet weinig heil in een toenemende invloed van Defensie aan de universiteit, maakt zich zorgen over de nieuwe FGGA-minoren ‘Defensie en nationale veiligheid’ en ‘Crisismanagement en civiele weerbaarheid’ en is ook ontevreden dat er niet vooraf met de raad is overlegd.

‘Er zijn acht nieuwe minoren, waarvan twee in samenwerking met Defensie’, begon rector Sarah de Rijcke. ‘Dat is op een totaal van iets meer dan zeventig minoren, dus ik weet niet of de terminologie van de raad over toenemende invloed helemaal terecht is.’ Volgens de rector heeft de verbreding van het aanbod ‘tot doel alle aspecten van weerbaarheid te onderwijzen’.

Daarnaast lichtte ze toe waarom er niet eerder met de universiteitsraad over is gesproken. ‘Het beleid is op dit moment dat het aanbod van minoren een facultaire aangelegenheid is en waar de faculteitsraad inspraak op heeft. We hebben ons daaraan gehouden.’

Raadslid Agur Sevink (UB) vond dat niet voldoende. ‘We hebben vorig jaar een discussie gehad over profileringsthema’s. We hebben toen gezegd dat we bezwaar hadden tegen het toevoegen van Defensie daaraan. Nu zie ik toch minoren ontstaan in samenwerking met Defensie. Moeten we die keuzes dan niet toch eerst bespreken in de universiteitsraad?’

‘Wij zijn als universiteit aan het oefenen om het gesprek over het aanbod van onderwijs en onderzoek over de faculteiten heen te voeren, maar dat is nog in een embryonaal stadium’, reageerde De Rijcke. ‘Ik denk dat we er veel baat bij hebben om met de kennis en expertise die er in de faculteiten is te praten over gevoelige onderwerpen als dit. Ik zou willen dat we meer in dialoog met elkaar gaan over ons onderwijsportfolio en de thematische profilering.’

‘Je kunt discussiëren waar de grenzen liggen. Dit gesprek is nog niet klaar’

Het college van bestuur zegde toe die dialoog in gang te zetten, ‘zodat het in de toekomst hopelijk niet zo ver komt dat deze punten op het allerlaatste moment nog in de universiteitsraad moeten worden opgeworpen’.

Raadslid Mark Dechesne (LAG) ziet risico’s in de vermenging van Defensie met academisch onderwijs. ‘Ik was laatst bij een conferentie op het gebied van veiligheid in de wereld. Josette Daemen (bestuurskundedocent en voormalig Mare-columnist, red.) had daar heel goede opmerkingen over hoe dat tot problemen kan leiden. Neem Russische studies. Daar kun je het hebben over Poetin als dreiging, maar ook over romanschrijver Dostojevski. Die keuzes kunnen worden beïnvloed door samenwerking met Defensie.’

‘We zijn beleid aan het ontwikkelen op het gebied van externe samenwerkingen, dus ook als het gaat over defensiegericht onderwijs en onderzoek’, antwoordde de rector. ‘Onze afweging was dat het minorenaanbod op dit moment goed in elkaar zit en goed past in het aanbod van FGGA. We vinden ook dat het academisch bestuderen van en onderwijs verzorgen over oorlog en veiligheid iets is wat je kunt uitleggen als noodzakelijk. Maar je kunt er over discussiëren waar de grenzen liggen. Dit gesprek is nog niet klaar.’

Sevink: ‘Het samen met Defensie opzetten van een minor vind ik toch wel iets anders dan onderwijs over Defensie.’

Collegevoorzitter Luc Sels zei het daarmee eens te zijn, maar vroeg de raad ook na te denken over de vraag ‘wat het alternatief is als we dit soort minoren niet aanbieden’. Volgens Sels worden ze dan elders aangeboden, ‘en misschien met minder democratisch toezicht dan we binnen een civiele universiteit hebben. De implicaties van het niet zetten van deze stap kunnen ook groot zijn.’

Trend

Raadslid Patrick Klaassen (UB) vond dat het college het onderwerp te klein maakte door te benoemen dat het slechts twee minoren betreft. ‘Als je breder kijkt, zie je dat het een trend is. In Mare las ik dat studenten een reservistenopleiding kunnen krijgen. Zo vrijblijvend is dit niet. Wat is er zo noodzakelijk aan deze minoren? En waar zit de meerwaarde voor Defensie om dit met ons te doen?’

Daarop kwam geen helder antwoord. De Rijcke herhaalde dat de invoering van de minoren een facultaire aangelegenheid is en dat er ‘vanaf nu wordt gewerkt aan de formulering van een afwegingskader voor externe samenwerkingen’.

‘De beslissing is nu genomen, en daarna zeggen jullie: we moeten er breder over gaan praten’, reageerde raadslid Michel Vermeer (DSP-SC). ‘Wij hadden er graag eerder een gesprek over gehad.’

Het college zegde toe om ‘in het beleid over externe samenwerkingen dat we nu ontwikkelen, ook Defensie structureel mee te nemen’.