In het pand waar de West Indische Compagnie (WIC) ooit gevestigd was, zit nu een restaurant. Op de binnenplaats van het West-Indisch Huis staat een standbeeld van Peter Stuyvesant (1610-1672), die voor de compagnie directeur-generaal van de kolonie Nieuw Amsterdam was.
‘Kijk, je ziet dat hij een houten poot had’, zegt historicus Tristan Mostert. Stuyvesant raakte namelijk een been kwijt bij een aanval op de Spanjaarden. ‘Het beeld is hier in 1981 neergezet, tegenwoordig liggen standbeelden van koloniale bestuurders wat moeilijker.’
Vakgenoot Erik Odegard: ‘Nieuw Amsterdam was een perifeer gebied voor de stadhouders en de WIC. Maar ook hier zijn Afrikaanse tot slaaf gemaakten naartoe vervoerd.’
Mostert: ‘Dit is ook de plek waar werd besloten wat er met de plantages in de Nederlandse kolonie in Brazilië ging gebeuren.’
Odegard: ‘Stadhouder Maurits van Oranje investeert in de WIC. Heel belangrijk is dat in deze periode het indirecte bestuur van de koloniën ontstaat. De compagnieën bepalen grotendeels het beleid. De stadhouders hadden wel grote invloed als bevelhebber van de vloot en het leger.’
Beschermer
Mostert: ‘Het cynische is dat Maurits in prenten wordt geafficheerd als de beschermer van mensen in overzeese gebieden tegen de Spanjaarden. De realiteit was anders.’
Odegard: ‘Het lukte de WIC om een deel van de Portugese kolonie in Brazilië te veroveren, waar suikerproductie plaatsvond. De plantages draaiden grotendeels op tot slaaf gemaakten uit Afrika. Tienduizenden mensen die in slechte omstandigheden werden vastgehouden en gedwongen het zware werk in de velden te verrichten. De mortaliteit was hoog.
‘In 1636 benoemde de WIC Johan Maurits van Nassau-Siegen tot gouverneur-generaal van Brazilië. Onder zijn bewind begon die grootschalige slavenhandel. In deze periode zijn 31.000 mensen aan boord van WIC-schepen geladen en daarvan kwamen er iets meer dan 26.000 levend in Brazilië aan. Johan Maurits liet een boek over zichzelf schrijven waarin met de cijfers werd gerommeld. Van de zesduizend mensen die in anderhalf jaar werden ingescheept, stierven er vijftienhonderd aan boord, zei hij bij zijn afscheid. In het boek staat vijftienhonderd van de zestigduizend. Net wat minder gruwelijk voor het grotere publiek.’
Mostert: ‘Tegenover de Staten-Generaal wond hij er geen doekjes om, omdat hij slavernij noodzakelijk achtte.’
Odegard: ‘Er waren ook critici. Je kunt niet stellen dat iedereen slavernij en onderdrukking volstrekt normaal vond.’
Mostert: ‘In een latere periode schreef Onno Zwier van Haren, een goede vriend van stadhouder Willem IV, zeer kritische toneelstukken over het koloniaal beleid. De VOC vervult de rol van de slechterik en de schrijver sympathiseert met de inheemse machthebbers. Desondanks sloegen de stadhouders, soms met enthousiasme, opstanden neer. Opvallend is dat bijvoorbeeld Maria Louise van Hessen-Kassel, de moeder van stadhouder Willem IV, er bij de Staten-Generaal op aandrong om opstandelingen in de kolonie in Berbice (Nederlands-Guyana) keihard aan te pakken.
‘Toen Surinaamse marrons (ontsnapte tot slaaf gemaakten, red.) in opstand kwamen werd dorp na dorp afgebrand. De WIC-directeuren vonden dat niet iets om zich voor te schamen lieten. Ze lieten grote wandkaarten maken met dorpen erop die in de fik staan en mensen die wegrennen.
Odegard: ‘De stadhouder wist hiervan. Het was één grote uitwas. De norm lag in de hel.’
Orang-oetan
Mostert: ‘De stadhouders verdeelden baantjes. Om die te krijgen en steun te krijgen voor koloniale activiteiten wilde iedereen bij ze in de gratie komen. Willem V had een uitgebreide menagerie en wilde heel erg graag een orang-oetan. Het ene na het andere dier ging dood op transport. Het werd een race om er een levend af te leveren. Dat was onderdeel van het patronagespel.’
Er worden zelfs mensen uit de koloniën aangeboden. Anna van Hannover, de vrouw van stadhouder Willem IV, krijgt een dwerg cadeau die “Goliath” wordt genoemd – een “Moorsche of Indiaanse [uit Indië] jongeling” – als relatiegeschenk.
Mostert: ‘Schrijnend om een lijstje te zien waar tussen de rariteiten en vogelnestjes voor in de soep, een dwerg vermeld staat. Het zegt wel iets over hoe ze dachten. De invloed die de stadhouders hadden door hun militaire rol, bijvoorbeeld bij het neerslaan van opstanden, is veel belangrijker dan hun financiële belangen. Als we dan toch naar het geld kijken was de opiumhandel veel belangrijker. Zijn dividend uit de zogeheten Amfioensociëteit die de opiumhandel naar Java voor zijn rekening nam, leverden Willem IV en V evenveel op als de inkomsten uit de WIC en VOC bij elkaar.’
Lees meer over het onderzoek:
- Oranjes doorgelicht (2): Willem I was een eikel, Willem II een zwakkeling
- Oranjes doorgelicht (3): ‘Hé Willem III’, zong Curaçao, ‘hou je moeder voor de gek!’
- Oranjes doorgelicht (4): ‘De koning heeft moreel leiderschap getoond’, vindt onderzoeksleider Gert Oostindie