‘Ik ga niet beginnen met golfen’, zegt Leo Lucassen (66) over zijn aanstaande pensioen. In juli gaat de Leidse hoogleraar mondiale arbeids- en migratiegeschiedenis met emeritaat. Hij is al gestopt als directeur van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. ‘Maar ik ga gewoon door met onderzoek en schrijven.’
‘Als je golfen leuk zou vinden, moet je dat gewoon doen’, reageert broer Jan Lucassen (78), die ook in Leiden studeerde en emeritus-hoogleraar sociale geschiedenis aan de Vrije Universiteit is. ‘Het belangrijkste is dat je je niets aantrekt van wat anderen vinden wat je moet doen.’
Leo: ‘We zijn samen een boek aan het schrijven, daar heb ik nu eindelijk tijd voor, over de wereldgeschiedenis van migratie van de laatste…’
Jan: ‘…700.000 jaar.’
Leo: ‘We dachten: laten we het een beetje beperken.’
Jan: ‘Mijn uitgever vroeg na mijn zeer uitgebreide boek De wereld aan het werk (2022): “Wanneer komt de volgende?” “Vergeet het maar”, antwoordde ik. “Weet je wel hoe oud ik ben?” Maar vervolgens bedacht ik een list. Als ik het samen doe met Leo, is het haalbaar.’
Vooral Leo is actief in het publieke migratiedebat en daardoor vaak mikpunt van beledigingen en bedreigingen. Omschrijvingen als ‘charlatan, vermoedelijk met een breindefect’ en ‘kwaadaardige nepprofessor’ vielen hem al ten deel en er werden er zelfs foto’s van zijn kinderen op sociale media geplaatst met de tekst: ‘Dit zijn de dochters van die idioot Lucassen.’
De broers schreven samen eerder Vijf eeuwen migratie (2018) en Migratie als DNA van Amsterdam (2021). In café Van der Werff blikken ze terug op hun jeugd in Limburg, hun Leidse studietijd en het migratiedebat dat tijdens hun carrière steeds meer verhit raakte.
1. Limburgs leven
Jan: ‘We komen uit een katholiek gezin met negen kinderen in het dorp Meijel, op de grens met Brabant. Ik ben de oudste, Leo de zevende. Moeder was verpleegster, vader schoolmeester. We spraken thuis Limburgs, met vrienden op straat Meijels, een mengeling van Limburgs en Brabants.’
Leo: ‘Alle kinderen zijn in het dorp geboren, maar voor veel bewoners waren we geen echte Mèlse maar tweede generatie allochtonen. Mijn moeder heeft zich er nooit thuis gevoeld. Ze kwam uit Helden en werd als buitenstaander gezien.’
Jan: ‘Vader was fervent Limburger.’
Leo: ‘Als we dialecten vermengden, corrigeerde hij ons. Met als gevolg dat we beter Meijels spraken dan menig autochtone Meijelaar.’
Jan: ‘Ik was twee jaar leerling in vaders klas met 56 kinderen. Hij zei: “Niemand zal ooit zeggen dat ik je voortrek.” Nou dat heb ik geweten. Ik kreeg strafwerk en hij zag er thuis op toe dat ik dat ook maakte.’
Leo: ‘Ik heb nooit les gehad van hem. Hij heeft later wel mijn hele proefschrift met een rood potlood nagelopen.’
Jan: ‘Geschiedenis leefde bij ons. Vader nam me op zaterdagmiddag mee achter op de Solex. Dan reden we naar Duitse stadjes. Midden jaren vijftig lagen die nog in puin.’
Leo: ‘Het huis stond vol geschiedenisboeken. Natuurlijk ben ik ook aangestoken door Jan en mijn vader. Op het gymnasium in Deurne had ik veel belangstelling voor politieke geschiedenis en aardrijkskunde, vooral de sociaal-politieke kant. Jan en ik hebben trouwens maar twee maanden in hetzelfde huis gewoond. Op zijn twaalfde ging hij naar het klein seminarie in Weert.’
Jan: ‘Van mijn klas is niemand priester geworden.’
Leo: ‘De jaren zestig gebeurden.’
Jan: ‘Ja, precies. We studeerden ons gek, want we konden weinig anders daar. Dat gaf me een heel gedegen opleiding.’
2. Leidse leermeester
Jan: ‘Ik ging in Leiden studeren. Ik had niets met de stad, maar Groningen was te ver weg en in Amsterdam was geen kamer te krijgen. Met medestudenten vormde ik een werkgroep om gastarbeiders taalles te geven, te protesteren bij de pensions waar ze werden uitgebuit en bij de gemeente te pleiten voor fatsoenlijk onderdak. Ik richtte me op de prehistorie, maar vroeg me steeds meer af: is deze studie nog maatschappelijk verantwoord? Toen ben ik sociaaleconomische geschiedenis gaan studeren.’
Leo: ‘Toen ik in 1978 aan mijn studie in Leiden begon, heb ik Jan pas echt leren kennen. Dat contact werd versterkt toen onze moeder – op wie we allebei dol waren – volkomen plotseling op haar zestigste overleed. Jans huis in Gouda was een fijne pleisterplaats om bij te komen van die schok. Toen begonnen onze gesprekken over geschiedenis. Ook ik wilde alleen vakken volgen die maatschappelijk relevant waren. We hebben behoorlijk dezelfde visie, daarom gaat samen schrijven makkelijk.’
Jan: ‘We mogen elkaar erg graag, maar zijn geen softies. Bij sommige collega’s is het lastig om te zeggen wat je echt vindt. Wij zijn mans genoeg om elkaar te bekritiseren.’
Leo: ‘We hebben er al zoveel over geluld, zo bouw je een gezamenlijke gedachtestroom op.’
Jan: ‘In Leiden hadden we samen college sociale geschiedenis van Dik van Arkel. Ik ben bij hem afgestudeerd op een scriptie over Zuid-Afrika.’
Leo: ‘Ik met een scriptie over antisemitisme bij vroeg-socialistische Franse denkers, en vervolgens ben ik bij hem gepromoveerd. Hij was een fenomeen. Zijn kijk op geschiedenis paste bij die maatschappelijke relevantie: hij zag het als een sociale wetenschap die kon bijdragen aan een betere wereld.’
Jan: ‘Zijn fantastische proefschrift uit 1966 over de opkomst van het antisemitisme in Wenen in de negentiende eeuw is alleen maar gestencild, niet eens uitgegeven. Ik heb echt stukken uit zijn handen moeten trekken om ze te bespreken in een tijdschrift.’
3. Zondebokken
Leo: ‘Van Arkel beschreef onder welke condities antisemitisme kon ontstaan en extreme vormen aannam. Zijn model kun je zo toepassen op de recente rellen in Belfast, maar ook op de situatie rond migranten in Nederland. Zijn eerste voorwaarde is stigmatisering: door gezaghebbende instituties – staat, kerk, media – die een groep een negatief label geven en afschilderen als een gevaar voor het “eigen volk”. Vervolgens wordt er een sociale afstand tot deze groep gecreëerd. Zo mochten Joden tot de negentiende eeuw alleen maar bepaalde beroepen uitoefenen, waardoor het moeilijker was dat negatieve beeld te corrigeren in alledaagse interacties. De derde voorwaarde is als ook mensen die geen vooroordeel koesteren worden gedwongen om mee te discrimineren of zich niet daartegen durven te verzetten. Dan is het nog maar een kleine stap naar pogroms en geweld, zeker als de overheid zich afzijdig houdt of zelfs meedoet. Er ontstaat een sfeer waarbij je het wel uit je hoofd laat om het voor die groep op te nemen, want dan ben je nog erger dan de groep zelf.’
Jan: ‘Van Arkel richtte zich op de condities waarin slechte mensen een kans krijgen. En waarom mensen die niet intrinsiek slecht zijn, toch slechte dingen gaan doen. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond de welvaartsstaat en er was sociale mobiliteit. Dat schiep toekomstperspectief: ik was de eerste van de familie die ging studeren. Die mobiliteit is veel minder geworden, maar tegelijkertijd zijn we wel steeds meer gaan consumeren. Dat wringt en zorgt voor frustratie. Het is ook niet vreemd als mensen denken: wat doen die anderen hier? Maar het gaat erom wat de politiek daarmee doet. Samenhang in de maatschappij is noodzakelijk. Als kuddedier hebben we dat nodig en juist die sociale cohesie staat onder druk.’
Leo: ‘Er is steeds minder vertrouwen in de overheid, met name aan de onderkant van de samenleving. Dat wordt gevoed door het uitkleden van de verzorgingsstaat en die onvrede wordt vervolgens gemobiliseerd door extreemrechtse partijen met migranten als zondebok. Zij krijgen de schuld van de ontstane problemen. Je ziet dat rechtse politici dat vuurtje opstoken. Met als gevolg dat mensen zich meer gelegitimeerd voelen over te gaan tot intimidatie en geweld, zoals we bij protesten tegen de komst van azc’s zien. Die ontwikkeling past in het model van Van Arkel.’
4. Dikke huid
Leo: ‘Ik krijg elke dag verwensingen naar mijn hoofd. Je moet een dikke huid hebben om je in die arena te wagen. Toch is het noodzakelijk om daar je kennis en expertise te delen.’
Jan: ‘Ik speel me minder in de kijker, doe nauwelijks mee aan publieke politiek getinte debatten.’
Leo: ‘Soms gebeuren er dingen die heftig zijn. Ik schreef in maart 2021 een opiniestuk in de Volkskrant over een onderzoek van Jan van de Beek en anderen over de kosten van met name asielmigratie. Natuurlijk kost dat geld, dat lijkt me evident. Maar Van de Beek en zijn medeauteurs beweerden dat onze verzorgingsstaat dat niet kan dragen. Als historicus leek mij dat een onhoudbare stelling aangezien Nederland al bijna een halve eeuw grote aantallen asielzoekers opvangt en de verzorgingsstaat nog steeds functioneert. Dat heb ik opgeschreven, waarop Van de Beek mij beschuldigde van het schenden van zijn wetenschappelijke integriteit. Vervolgens moest ik mij voor een commissie van de Universiteit Leiden en de KNAW verdedigen. Dat is behoorlijk intimiderend.’
Jan: ‘Het is een manier om onafhankelijke wetenschap aan te pakken.’
Leo: ‘En toen die commissie zijn klacht verwierp, procedeerde hij door bij het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit, die zijn klacht eveneens afwees.’
Jan: ‘Het is ontzettend goed dat Leo het debat wél blijft voeren. Hij heeft veel meer moed dan ik. Ik bewonder hem erom. Ik zou het ook niet zo goed kunnen, ben niet zo’n vlotte prater en scherpe debater als hij. Ik blijf ook meer buiten schot omdat ik niet op sociale media zit.’
Leo: ‘Dat scheelt al een hoop.’
Jan: ‘Leo heeft me dat ook afgeraden. Hij heeft me wel eens voorgelezen wat er zoal over hem wordt gezegd. Het meest grappige was dat iemand schreef dat de appel niet ver van de boom was gevallen: “Leo deugt niet, maar hij kan het toch niet helemaal helpen met zo’n vader.” Daar moest ik erg om lachen.’
Leo Lucassen geeft op maandag 28 september zijn afscheidscollege in het Academiegebouw. ‘Wat hebben we eigenlijk aan u? Historische migratiestudies in tijden van polarisatie’
Leo Lucassen geeft op maandag 28 september zijn afscheidscollege in het Academiegebouw. ‘Wat hebben we eigenlijk aan u? Historische migratiestudies in tijden van polarisatie’