Wetenschap
Vici-beurs voor meer aandacht voor inheemse kennis: ‘Gaan we elkaar vinden, of niet?’
Wat gebeurt er als wetenschappelijke en inheemse kennis samenkomen? Mariana Françozo kreeg een Vici-beurs om dat te onderzoeken. ‘Er wordt met geen woord gerept over de inheemse geschiedenis. Niks, nada, noppes. Alsof die volken niet bestaan hebben.’
Marciëlle van der Kraan
donderdag 19 maart 2026
Adriaen Hanneman, Postuum portret van Maria I Stuart (1631- 1660) met een bediende, c. 1664, afbeelding Mauritshuis

Twee jaar geleden arriveerde een Tupinamba-verenmantel in Rio de Janeiro na meer dan driehonderd jaar in Europa te hebben doorgebracht. De mantel, gemaakt van duizenden rode ibis-veren, werd in de zeventiende eeuw door Europese kolonisten meegenomen uit Brazilië en belandde uiteindelijk in een Deens museum. Pas na jaren onderhandelingen werd het object teruggegeven aan Brazilië.

‘Dan kan je denken: het is puur politiek dat die mantels worden gerepatrieerd’, begint universitair hoofddocent archeologie Mariana Françozo. ‘Voor veel mensen is het een museumstuk, maar voor de Tupinamba uit het noordoosten van Brazilië heeft het meer met hun voorvaderen te maken die nog een rol spelen in hun leven. Een Tupinamba, met wie ik werk, zei: “De mantels praten met mij. Ze hebben hun taak voltooid in Europa en nu willen ze zelf terug.” Voor hen is het niet een object, maar iets dat leeft.’

Françozo, die zelf uit Brazilië komt, is een van de drie wetenschappers van de Universiteit Leiden die een Vici-beurs heeft ontvangen. De beurs – die wel kan oplopen tot 1,5 miljoen euro – wordt uitgeloofd aan wetenschappers die vernieuwend onderzoek verrichten. ‘Het is zo bijzonder om naar hetzelfde object te kijken en er zulke verschillende interpretaties op na te houden. Ik wil graag die wetenschappelijke en inheemse kennis samenbrengen.’

Inheemse geschiedenis

Die benadering werpt volgens haar nieuw licht op historische verhalen. Zo wijst Françozo op de rol van inheemse groepen tijdens de koloniale periode in Brazilië. ‘In veel geschiedenisboeken lijkt het alsof de Nederlanders en de Portugezen zo machtig waren dat ze alles konden doen en beslissen, maar dat was helemaal niet het geval. Als je een onbekend land binnenvalt, heb je geen idee waar je voedsel vindt, welke wegen je moet volgen of wie je vijanden zijn. Dan ben je dus volledig afhankelijk van lokale kennis, en die afhankelijkheid komt veel meer terug in de inheemse orale geschiedenis dan in Europese verslagen.’

Zo hadden de Potiguaren – een volk dat dezelfde taal spreekt als de Tupinamba – in de zeventiende eeuw een strategie bedacht om de Portugezen te verdrijven. ‘Toen de Nederlanders naar Brazilië kwamen, hebben de Potiguaren hen verleid om te vechten tegen de Portugezen. Ze vertelden de Nederlanders over de rijkdommen van hun land: het water, de hoeveelheid fruit en al het beschikbare eten. Ze waren slim en namen op deze manier het heft in eigen hand om iets te doen aan die vreselijke koloniale situatie.’

Roberto Fortuna, the National Museum of Denmark

Maar over dit soort inheemse orale geschiedenis, lees je nooit, aldus Françozo. ‘Ook niet op school in Brazilië. Sterker nog, daar wordt heel positief verteld over het koloniale verleden: “Toen kwamen de Nederlanders en die bleven dertig jaar, dat was heel goed. Daarna gingen ze helaas weg en wij bleven achter met de Portugezen.” Er wordt met geen woord gerept over de inheemse bijdrage aan de hele geschiedenis. Niks, nada, noppes. Alsof ze niet bestaan hebben.’

Veel Brazilianen hebben volgens de onderzoeker lange tijd gedacht dat hun land beter af was geweest onder de Nederlanders. ‘Nederland is nu een zeer ontwikkeld eerstewereldland. Brazilië is dat niet. Portugal is wel ontwikkeld, maar niet zo goed als Nederland. Dus nu denkt de Braziliaanse bevolking: waren we maar onder Nederland gebleven. Maar kijk naar Suriname: is dat echt een ontwikkeld land geworden waar mensen meer kansen hebben?’

Samen om de tafel

Voor het Vici-onderzoek richt Françozo zich op de Tupinamba in Brazilië en de Mupache in Chili. ‘Beide groepen maakten heel vroeg in het kolonisatieproces kennis met de Europeanen, maar hadden heel verschillende strategieën. De Tupi hebben allianties gemaakt, sommigen met de Portugezen en sommigen met de Nederlanders. In Chili wilden de Mapuche juist niets te maken hebben met de Spanjaarden en Nederlanders. Zodra ze hoorden dat die geïnteresseerd waren in goud- en zilvermijnen, zeiden ze: “Prima, maar zoek het zelf maar uit.” Daarna trokken ze zich terug.’

Eeuwen later hebben de Mapuche hun taal en cultuur weten te behouden, maar de Tupinamba niet. ‘Desondanks kampen beide volkeren met dezelfde problemen: een strijd om de rechten op hun eigen land en de zoektocht naar hun identiteit. Vanuit historisch perspectief liggen ze heel ver uit elkaar, maar nu willen ze elkaar leren kennen en van elkaar leren.’

Françozo wil dat inheemse experts en Europese wetenschappers elkaar beter begrijpen. ‘Wat gebeurt er als we met zijn allen – antropologen, historici, inheemse experts – om de tafel gaan zitten en naar interessante objecten kijken? Gaan we elkaar vinden in het gesprek, of niet? Daarmee wil ik experimenteren. Misschien kunnen we onze kinderen dan ook leren dat het prima is om twee totaal verschillende wereldbeelden te hebben en dat die naast elkaar kunnen bestaan: waarin een voorwerp voor de een een museumstuk is en voor de ander een levend wezen. Soms begrijpen we dingen niet, en dat is oké.

‘Niet alles hoeft vertaald te worden naar een begrijpelijk concept. Dat zie ik als een verrijking van begrip en diversiteit. Dat kunnen we wel gebruiken, nu de wereld de verkeerde kant op gaat met geweld, oorlog, onbegrip en heel veel stupiditeit.’