‘De wereld wordt sociaal steeds uitdagender’, zegt psycholoog Astrid Baljé. ‘Zichtbaarheid is bijna de norm, bijvoorbeeld op sociale media. Als je extravert bent, wordt dat gewaardeerd. Maar je hebt ook mensen die van nature introvert zijn en het prettiger vinden om minder met anderen om te gaan, of het fijn vinden om thuis dingen te doen. Maar onze omgeving verwacht wel dat we aan allerlei dingen meedoen.’
Baljé is psycholoog op de afdeling Angststoornissen van PsyQ in Den Haag en schreef een proefschrift over mensen met een sociale angst- en een bijkomende vermijdende persoonlijkheidsstoornis. Zij durven veel activiteiten niet aan te gaan of doorstaan ze met veel angst nadat ze de nodige voorzorgsmaatregelen hebben genomen.
‘Ze vermijden bijvoorbeeld werkactiviteiten waarbij ze interpersoonlijk contact aan moeten gaan. Ze zijn zo bang voor kritiek of afwijzing dat ze contact met andere mensen uit de weg gaan, tenzij ze er zeker van zijn dat de ander hen ook aardig vindt. Soms kost het sturen van een eenvoudig mailtje al heel veel moeite, en wordt veelvuldig gecheckt of de tekst echt klopt.’
Vaak hebben deze mensen een negatief zelfbeeld, zegt Baljé. Risico’s aangaan is eng. Uit angst te worden afgewezen durven ze niet te daten. Maar ook in een intieme relatie blijft het lastig om zichzelf te uiten, vanwege angst en schaamte.
Verwachtingen
‘Ik sprak iemand met een sociale angststoornis die in een winkel werkt. Dan ben je de hele dag met vreemde mensen bezig, dus ik vroeg: “Dat is dan toch ook heel spannend?” Maar zij zei: “Nee, dan speel ik echt een rol en ik moet iedere keer hetzelfde doen, namelijk brood verkopen. Doordat het voorspelbaar is, heb ik minder last van mijn angst.”’
De gangbare behandeling is cognitieve gedragstherapie, vertelt de psycholoog. ‘Dat gaat ervan uit dat er een relatie is tussen wat mensen denken, voelen en doen. Dus als jij in een vergadering denkt dat andere mensen je zullen uitlachen, voel je je vervolgens angstig. Vervolgens zeg je maar niets, waardoor dat idee dus in stand blijft: de ander zal mij dom vinden.
‘Bij cognitieve gedragstherapie wil je dat mensen die situaties toch aangaan en zo de angstige verwachting gaan toetsen. Dat noemen we exposure: mensen gaan zich blootstellen aan datgene waar ze angstig voor zijn. Zo leren ze dat die angstige verwachting doorgaans niet uitkomt en daardoor gaan ze anders over die situatie denken. Dat noemen we cognitieve herstructurering. Als ze dat vaker doen, wordt de helpende gedachte steeds reëler, en merken ze: als ik een vraag stel, vinden anderen mij nog steeds oké.’
Baljé onderzocht specifiek mensen die naast een sociale angststoornis ook een vermijdende persoonlijkheidsstoornis hebben, een groep waar nog weinig onderzoek naar is gedaan. Juist omdat ze sociale situaties vermijden, worden ze snel over het hoofd gezien, vermoedt Baljé.
Omdat niet iedereen baat had bij cognitieve gedragstherapie is schematherapie ontwikkeld. Dat richt zich op patronen die zich hebben ontwikkeld in de jeugd maar mensen blijven belemmeren waardoor ze situaties gaan vermijden, of juist gaan overcompenseren.
Het onderzoek naar schematherapie richtte zich aanvankelijk op mensen met borderline persoonlijkheidsstoornis. Voor de groep mensen met hardnekkige sociale angst- en vermijdingsproblematiek was nog weinig aandacht, zag Baljé. Ze besloot te onderzoeken of bij die groep schematherapie effectiever was dan cognitieve gedragstherapie.
De therapieën binnen het onderzoek vonden plaats in groepsverband. ‘Ook zijn het vaak mensen bij wie het ontbreekt aan sociale steun van anderen. Bijvoorbeeld als ze gevoelens hebben, vinden ze het lastig om die te delen, omdat ze denken dat de ander hen raar vindt. Maar doordat ze niets delen, ervaren ze ook niet dat een ander hen kan steunen.’
Vermindering
Bij een therapietraject van dertig wekelijkse sessies, stroomden iedere tien weken mensen uit en kwamen er nieuwe mensen binnen. ‘Het voordeel is dat je mensen blootstelt aan waar ze ook daadwerkelijk bang voor zijn, zoals sociaal contact, dus je kunt ook corrigerende ervaringen opdoen, doordat je in een groep zit. Ik heb ook iemand zelf naar het onderzoek verwezen. Toen ik diegene achteraf weer een keer terugzag, zei ze: “ik heb nu voor het eerst van mijn leven ervaren hoe het is om erbij te horen.” Hoe bijzonder is dat!’
Bij beide therapievormen zagen de onderzoekers geen verschil in resultaat. ‘Maar bij allebei werden de klachten aanzienlijk minder.’ Dat is een heel belangrijke uitkomst, vindt Baljé. ‘Door onderzoek kun je het effect aantonen en onderbouwen, waardoor je het vervolgens ook verantwoord kunt aanbieden. Zo werd mindfulness bij angstklachten lange tijd niet vergoed, omdat de effectiviteit nog onvoldoende was aangetoond. Het kost deze groep mensen vaak al veel moeite om in therapie te gaan, dus je wil niet dat ze er een negatieve ervaring aan overhouden.’
Wel haakten er bij cognitieve gedragstherapie meer mensen vroegtijdig af. Waarom, dat is een belangrijke vraag voor vervolgonderzoek. ‘We hebben gemerkt dat beide behandelingen waardevol zijn. Het zou het beste zijn als mensen zelf kunnen kiezen welke vorm van therapie ze kunnen volgen. Ook motiveert dat mogelijk om de therapie juist wel af te maken.
‘Mensen die introvert zijn hoeven niet extravert te worden, Maar het is wel heel belangrijk dat we deze groep mensen niet uit het oog verliezen. We willen dat behandeling eraan bijdraagt dat ze het leven en de eisen die het aan hen stelt aankunnen, zodat ze mee kunnen doen en zich gewaardeerd voelen.’
Astrid Baljé. Facing social anxiety and avoidant personality disorder. Promotie is donderdag 5 maart