Wetenschap
Hoe een pionier voor transgender personen van zijn voetstuk viel
De Leidse geschiedenisstudent Puck Rouffaer schreef een masterthesis over de eerste Nederlandse hoogleraar seksuologie Coen van Emde Boas en won daarmee de Volkskrant-ISSG scriptieprijs. ‘Mensen trappen in dezelfde valkuilen als zeventig jaar geleden.’
Sebastiaan van Loosbroek
donderdag 26 februari 2026
Seksuoloog Coen van Emde Boas. Foto Anefo

Gefeliciteerd! Had je het verwacht?
‘Nee. Ik was genomineerd met een student die ook al twee andere scriptieprijzen heeft gewonnen. Dus ik dacht: ik ga van haar verliezen. Ik had een negen voor de scriptie, dus mijn scriptiebegeleider stelde voor om hem in te sturen. Door een jury zijn er drie genomineerden uit ongeveer vijftig inzendingen gekozen.’De Nederlandse psychiater Coen van Emde Boas (1904-1981) was de eerste hoogleraar seksuologie van West-Europa. Waarom wilde je een scriptie over hem schrijven?

‘Ik ben geïnteresseerd in de geschiedenis van seksualiteit en gender. Een tijd geleden las ik de biografie van oud-D66-politicus Els Borst. Zij zat als student in een studiegroepje met Van Emde Boas als docent, waar ze over taboeonderwerpen spraken als abortus. Dat was voor haar een vormende ervaring. Ik had nog nooit van zijn naam gehoord, en toen ik hem googelde kon ik ook geen artikelen over hem vinden. Daar was ik verbaasd over.

‘Ik kwam erachter dat Van Emde Boas een rol speelde bij de eerste transgenderoperatie in Nederland. In Denemarken waren die er al wel geweest, waardoor in de transgemeenschap het idee begon te leven dat je daar moest zijn voor een operatie. Maar toen de Deense overheid dat blokkeerde, zochten artsen hulp in het buitenland. Ze kwamen uit bij Van Emde Boas, die voorafgaand aan operaties het psychologisch onderzoek uitvoerde. Hij was daarin een pionier en zag transgender personen niet per definitie als mensen met een psychiatrische aandoening. Tot dan toe werd namelijk gedacht dat zij allemaal in een psychose verkeerden en je bij een geslachtsveranderende operatie dus in een gezond lichaam zou snijden.’

Veel psychiaters zagen het dus nog als een ziekte. Hoe zag Van Emde Boas het?
‘In de jaren vijftig maakte hij subcategorieën tussen verschillende typen transgenders. Zo onderscheidde hij biologische “transseksisten” en neurotische “transseksisten”. Vooral van die eerste groep vond hij dat een chirurgische ingreep nodig was. Maar als de transseksualiteit volgens hem een psychiatrische oorzaak had, kon het ook met therapie worden genezen. Door dat onderscheid te maken, maakte hij zijn eigen rol in wie wel en niet werd geopereerd heel groot. Dat is een dubbel verhaal: hij opende de deur naar transgenderzorg, maar hield de controle over wie die deur wel en niet door mocht.’

‘Zijn indeling was al die tijd arbitrair geweest: uitsluitend gebaseerd op eigen ervaringen en niet op wetenschappelijke observatie’

‘Dat zijn categorisering nattevingerwerk was, blijkt ook wel uit het feit dat hij in de jaren zeventig een andere indeling maakte. Dat was nadat de rechter oordeelde dat alleen mensen die in de categorie vielen van de biologische transseksisten hun geslacht in hun paspoort mochten veranderen, maar de neurotische niet. 

‘Van Emde Boas schrok ervan dat zijn categorieën werden gebruikt om transgender personen iets te onthouden waar ze behoefte aan hadden. Toen paste hij zijn theorie aan: ook neurotisch transseksisme zou een deels aangeboren basis hebben. 

‘Zijn indeling was dus al die tijd arbitrair geweest: uitsluitend gebaseerd op eigen ervaringen en niet op wetenschappelijke observatie. Het leidde ertoe dat hij in de tweede helft van zijn leven niet meer zo positief door de transgemeenschap werd bekeken.’

Hoe zag hij homoseksualiteit?
‘Hij keek er op maatschappelijk niveau anders naar dan op medisch niveau. Hij stelde dat de maatschappelijke afkeer kon worden verklaard doordat homoseksualiteit afwijkt van de norm. Die afkeer heeft dus niets met onze natuur te maken, maar zou een historisch fenomeen zijn. 

‘Maar in medische zin zag hij het als een seksuele afwijking, een ontwikkelingsstoornis. Het kon dan zijn ontstaan doordat je als kind te hecht was met je moeder of juist niet hecht genoeg, óf uit castratieangst: als je een vrouw ziet, word je eraan herinnerd dat er wezens zonder penis bestaan, wat de angst kan geven dat jij ook je penis kunt verliezen. Daarom zouden mannen homoseksueel worden: ze wilden niet worden geconfronteerd met penisloze mensen. Van Emde Boas noemde dat een mislukt ontwikkelingsproces en geloofde dat homoseksualiteit in sommige gevallen te genezen was.’

Je schrijft dat hij meer een evolutionair dan revolutionair was. 
‘Hij stelde: als we de wereld niet snel kunnen veranderen, dan moeten we vooralsnog het individu aanpassen aan de samenleving in plaats van andersom. Maar als je dat blijft doen, is de samenleving nooit bereid om te veranderen. Dat werd een punt van strijd. Langzaam maar zeker veranderde de kijk op Van Emde Boas: waar hij in de eerste helft van zijn leven een dappere wegbereider was geweest, die al in de jaren dertig zei dat er wetgeving moest komen om discriminatie van homoseksuelen aan te pakken, en in de jaren vijftig een strijd voerde tegen de denkbeelden van de kerk, werd de grote rol van de psychiatrie op het gebied van trans- en homoseksualiteit in de tweede helft van zijn leven niet meer zo belangrijk gevonden. Dat was uiteindelijk een gevolg van zijn eigen progressieve standpunten.’

Wat is het belangrijkste resultaat van je scriptie?
‘Veel mensen vinden nog steeds dat we tieners beter niet kunnen helpen met transgenderzorg, omdat het een onomkeerbare ingreep is. 
‘Maar er zijn zo veel medische ingrepen onomkeerbaar, en daar hoor je ze niet over. Ik hoop dat we alerter kunnen zijn op patronen die al decennia terugkomen en waar we nu weer in terugvallen. Ik word daar een beetje bang van, en tegelijk is het een aansporing om daar weerwoord tegen te blijven bieden. 

‘Het gaat dan niet alleen om rechts-conservatieve partijen, maar ook om mensen die zeggen heel progressief te zijn, maar zich wel afvragen of transgenderzorg niet te ver gaat. Ik heb het gevoel dat mensen nu in dezelfde valkuilen trappen als waar ze in de jaren vijftig, zestig en zeventig ook in vielen.’