Studentenleven
In Klikspaans tijd gingen studenten lallend, vechtend en zuipend over straat
Wat is de literaire erfenis van Studenten-Typen, het boek dat Klikspaan (pseudoniem van Johannes Kneppelhout) 185 jaar geleden schreef? Spreken zijn typeringen van ‘klaplopers’ en ‘beestenlevens’ nog tot de verbeelding of zijn ze hopeloos verouderd? ‘Ik wilde het Academische koornveld wieden.’
Henrik Laban
donderdag 11 juni 2026
Alexander Ver Huell tekende onder het pseudoniem O. Verbalby bij Klikspaans werk. Dit is de prent met studenten in een rijtuig: ‘Naar de promotiepartij’

De Klikspaanweg verraadt veel stereotypen over het studentenleven, behalve de studentenschrijver naar wie de weg ooit is vernoemd. Nergens tussen de rommelige swapfietsenhoop of het gemeentelijk plantsoen is een overblijfsel te bekennen van de man die in de negentiende eeuw beroemd werd met zijn verhalen over het toenmalige studentenleven. 

Zelfs zijn straatnaambord is spoorloos verdwenen en heeft wellicht een andere bestemming gekregen als nachtbrakerstrofee in een van de nabije studentenkamers. Volgens buurtbewoners ‘verdwijnt’ het regelmatig.

‘Ik ben zijn naam nu even kwijt, maar dat is toch die man van het standbeeld bij de ingang van de straat?’, antwoordt een aarzelende flatbewoner die zich naar de sportschool snelt. Net voordat hij rechts de Haagweg op fietst, wijst hij nog vanuit de verte opgewekt naar het grote standbeeld van Piet Paaltjens, het pseudoniem van François Haverschmidt, een andere Leidse schrijver uit de negentiende eeuw.

De verwarring is begrijpelijk, maar noodlottig. Hoewel Klikspaan en Piet Paaltjens allebei als Minervanen over het Leidse studentenleven schreven, overschaduwt Paaltjens met zijn immer tot de verbeelding sprekend tragikomische gedichten, aangrijpend suïcidale levenseinde en respectabele zichtbaarheid in de publieke ruimte de nagalmende inkt van Klikspaan.

Paaltjens heeft in Leiden een gevelsteen, drie muurgedichten, een standbeeld én een portret. Marita Mathijsen werkt momenteel aan een biografie over hem. Over Klikspaan bestaat enkel een wetenschappelijke editie van vierentwintig jaar terug en een kleine gedenksteen bij zijn huis.

‘Het was een mannen­wereld voor rijke, bevoorrechte jongens’

Weten de huidige Minervanen nog wie hij was? ‘Voordat jij aanschoof kende ik hem alleen van de Klikspaanweg en van het kinderrijmpje “Klikspaan, boterspaan, je mag niet door mijn straatje gaan”’, bekent voorzitter Douwe Rutgers, terwijl hij een pot koffie leegschenkt in een paar wijnglazen.

‘Paaltjens wordt nog weleens geciteerd tijdens officiële gelegenheden, maar verder is er binnen de vereniging weinig dat aan Klikspaan herinnert, geen plakkaat of commissie. Toch kan ik gerust stellen dat zijn geest van ironie in samenspraak met maatschappijkritiek sterk voortleeft in onze gezamenlijke rituelen en onze vormingsidealen. Klikspaans studenttypen zijn daarin een uitstekend voorbeeld.’

Klikspaan was het pseudoniem van Johannes Kneppelhout (1814-1885), een geboren Leidenaar en oudste zoon uit een schatrijk gezin, woonachtig bij zijn ouders aan het imposante Rapenburg 65. Daar hangt nog steeds een bescheiden gedenksteen die herinnert aan zijn literaire erfenis: Studentenschetsen (1839-1844), een lijvige verzamelbundel vertellingen over zijn studententijd en het universitaire leven van toen. 

Gossip stories

Hij was hiermee de allereerste in de Nederlandse literatuur die controversiële gossip stories naar buiten bracht, verklikte, over een geïsoleerd elitenetwerk van ongeveer vijfhonderd studenten en dertig hoogleraren en had daarbij een louterend doel voor ogen: ‘Ik wilde het Academische koornveld wieden, en wierp het onkruid op den grooten weg opdat een iegelijk het vertrappen zou.’

Klikspaan becommentarieert in Studentenschetsen als gewezen rechtenstudent onomwonden alle facetten van de zogeheten ‘Leidsche Hoogeschool’, van het plichtmatige theedrinken met professoren tot en met de onuitstaanbare luiheid van sommige studenten die ‘eene soort van planten- of liever beestenleven’ leiden. Hijzelf heeft zijn studie nooit hoeven afronden en kon zich vanuit een welgestelde positie dus ongehinderd wijden aan zijn literaire aspiraties.

Hij maakte voor het eerst furore in 1841 met Studenten-Typen, een reeks algemene karakterschilderingen van de soorten studenten die op de universiteit rondliepen. Deze typen beoogden een hoger doel dan koddige karikaturen, maar volgden de destijds in zwang zijnde ideeën van de literaire fysiologie, waarbij personages niet zozeer een eigen karakter hadden, maar meer een belichaming waren van bepaalde eigenschappen van een sociale groep volgens een quasiwetenschappelijke classificatie.

‘Uiteraard dient grensoverschrijdend gedrag te allen tijde afgekeurd en bestraft te worden en daar zet ik me ook voor in’

Klikspaans beroemdste typen zijn ‘Bivalva’, ‘De klaploooper’, ‘De hoveling’ en ‘Flanor’, maar de raadselachtige namen tezamen met het modieuze genre van weleer doen vrezen dat ze geen eeuwig leven beschoren zijn.

In de archiefkamer bij Minerva legt archivaris Julius Budding een zorgvuldig geconserveerde editie van Studenten-Typen op tafel. De vergeelde pagina’s vallen open bij de moraliserende slotpassage uit ‘Flanor’ waarin Klikspaan de buitensporige afstraffing van studentenstreken aan de kaak stelt: die zouden iedere dader levenslang als een veroordeling achtervolgen en carrièrekansen vernietigen, omdat ‘eene losse Studentengrap, die niets meer om het lijf had, hem als eene schandvlek aankleeft’.

Als Rutgers hoort wat er op de vergeelde pagina staat, veert hij op. ‘Dit is nu nog steeds zo, en het is misschien zelfs erger geworden’, reageert hij zichtbaar geroerd. ‘Uiteraard dient grensoverschrijdend gedrag te allen tijde afgekeurd en bestraft te worden en daar zet ik me ook voor in, maar een neveneffect van alle intensieve media-aandacht is een verlammende prestatiedruk en mentale problematiek bij onze leden. Het is fascinerend dat Klikspaan hier destijds al mee te maken kreeg en zo nadrukkelijk stelling inneemt.’

Boven de wet

En zo zijn er nog wel meer actuele thema’s in Klikspaans werk, zoals de verachting van het nakende burgerschap en de studententijd als jaren van ‘gulden vrijheid’. Klikspaan drijft in zijn type ‘De student-auteur’, een student die met alle geweld schrijver wil worden, een absolute wig tussen de studentenwereld en de maatschappij. Zo wil een student volgens hem ‘niets van de buitenwereld weten, hij ontkent en ontvliedt ze, snijdt er zich op alle mogelijke wijzen van af, sluit zich op in het geluk zijner jeugd en onbezorgdheid zijner studiejaren’.
Deze lachwekkende beschrijving komt echter dichter bij de werkelijkheid dan je zou vermoeden, als je de maatschappelijk status van de negentiende-eeuwse studentenpopulatie in ogenschouw neemt.

‘Studenten voelden zich min of meer boven de wet verheven en onttrokken zich aan de regels van de burgerlijke samenleving’, vertelt emeritus hoogleraar Nederlandse literatuur Olf Praamstra in zijn huiskamer boven dampende koffie, ditmaal niet in wijnglazen maar in mokken. ‘Ze gaven zich over aan drankmisbruik, liepen ’s nachts lallend over straat, sloegen de straatverlichting kapot, schroefden bellen van de deuren, gooiden ruiten in, vochten met nachtwakers en schoffeerden iedereen die geen student was.’

Alexander Ver Huell tekende onder het pseudoniem O. Verbalby bij Klikspaans werk. De prent ‘En terug’ met studenten in een rijtuig

Praamstra werkte jarenlang aan de omvangrijke wetenschappelijke editie van Studentenschetsen uit 2002, maar heeft daarna niet meer naar Klikspaans werk omgekeken. ‘Het was zo’n andere tijd. Vanuit onze tijd is het een heel beperkt perspectief. Het is een mannenwereld voor een aantal rijke, bevoorrechte jongens.’

Het is inderdaad tenenkrommend hoe viriel en denigrerend Klikspaan soms schrijft over vrouwen, die hij dikwijls neerzet als willoze lustobjecten die zo voor het oprapen liggen. Des te opvallender is dat dit het meest ostentatief gebeurt in het enige type waar de hele secundaire literatuur en Klikspaan zelf ronduit lovend over zijn: ‘Flanor’. Terwijl deze ‘goeden vent’ langs het Rapenbrug drentelt, bepotelt hij elk ‘vlindertje’ dat hij tegenkomt. Tweemaal randt hij een vrouw aan die zich hevig verzet en hem de huid vol scheldt, maar de doorgaans moraliserende Klikspaan zwijgt als het graf en laat Flanor zijn gang gaan.

De dubieuze tolerantie tegenover zulk wangedrag heeft volgens Praamstra opnieuw alles te maken met de schijnbaar bovenwettelijke status van de negentiende-eeuwse studenten, die als prinsjes door de Leidse straten paradeerden. 

‘Toonaangevend was bijvoorbeeld de diesviering. Op die avond trokken ze met fakkels en muziek door de straten, aangegaapt door het volk, waarvan overigens verwacht werd dat ze uit respect het hoofd zou ontbloten. Wie zijn pet niet snel genoeg afnam, kon onder de kreet “petten af” een tik met de wandelstok krijgen. Een rotanwandelstok hoorde tot de standaarduitrusting van elke student.’

Herkenbaar

Desondanks vindt Praamstra Klikspaan nog steeds van betekenis. ‘Hoezeer het ook van onze tijd mag verschillen, toch kun je zijn Studenten-Typen blijven lezen omwille van de herkenbare studentenpersonages, zoals iemand die uiteindelijk flopt, of bij zijn ouders thuis woont, of altijd op de zak van iemand anders teert.’

Wie zich daaraan wil wagen, moet genoeg leeslust hebben om zich door Klikspaans wijdlopige kronkelzinnen heen te slaan, want zijn exuberante schrijfstijl is weinig leesbaar. Zoals een neerlandicus al eens opmerkte tijdens het eeuwfeest van Student-Typen is hij ‘te heftig in zijn uitdrukkingen; zijn kleuren zijn fel rood, fel geel, pikzwart. In zijn ijver om indruk te maken werkt hij met sterke tegenstellingen’. 

De verdwijning van Klikspaans straatnaambord is wellicht een profetisch teken: hoezeer hij ook literair werd geprezen, uiteindelijk is zijn magnum opus voorbestemd om als historisch hebbedingetje in een woonkamer, bibliotheek of Minerva-archief te verstoffen.

Maar ook het belang daarvan mogen we niet onderschatten. De recent overleden neerlandicus Peter van Zonneveld verwoordt het treffend in het gedicht ‘De zwarte tijd’, een hommage aan Kneppelhout uit zijn postume dichtbundel Sonnetten en kwatrijnen: ‘Behoud iets van vroeger in zuivere staat / Dan blijft het verleden, hoe ver ook, nabij.’