Een bronzen kruis van een Rotterdams wijkkerkje haakt vlak voor mij naar een gewatteerd wolkenpantser om wat schemergoud uit de hemel te roven en zo over de straten te storten. Mijn ochtendpas, waarmee ik nerveus onderweg was naar mijn druistige derdeklassers, protesteert hevig en voor ik het weet houd ik halt en vergaap mij aan deze verblindende Primavera tussen de compacte volkswoninkjes met aquariumramen.
Naar dit zonlicht toegezogen, komt in dit moment van bezinning het begin van A. Roland Holsts ‘De eenhoorn’ naar boven: ‘De mens ging werken zonder zingen – / geen weet waarom, geen weet voor wien. / Onschuld en schoonheid, eerstelingen, / zijn wereld’s vijanden sindsdien. / Hebt gij verrukt in huiveringen, / vannacht hun eersteling gezien?’
Vanochtend, stamel ik voor me uit, net zolang totdat de droefgeestigheid plaatsmaakt voor geestdrift. Ik herhaal het nog een paar keer als een mantra van mooiigheid, dat ik vanochtend deze eerstelingen heb gezien en elken uchtend deze eerstelingen in mijn leerlingen wil zien.
Maar dat gaat niet zonder een kletterende tweestrijd, een schemeroorlog in de ziel, want na acht jaar universiteit voel ik me beroofd van alle geloof in het goede en liefde voor de wereld. Amper heeft een docent het voor elkaar gekregen om mij deze amor mundi bij te brengen, wat volgens de filosoof Hannah Arendt bij uitstek het doel is van ons onderwijs: studenten genoeg van de wereld te laten houden dat ze de verantwoordelijkheid op zich nemen haar te redden van een verval dat zonder vernieuwing onvermijdelijk is.
Integendeel, vertrek ik straks verontrust van de uni met een hermeneutische scepsis, militant Ikea-existentialisme en schuldbewust klimaatdefaitisme. Of anders gezegd is alles wat je ervaart niet reëel, maar door mensen verzonnen, merely a figment of your imagination, om de absurditeit die het leven heet enigszins draaglijk te maken.
En mocht je naderhand van plan zijn om ‘The Logical Song’ in te zetten en als een hedonistische sportschoolhamster in het omineuze ‘men’ verdwijnen, dan ben je er nog niet genoeg van doordrongen dat een onoverwinnelijk bigtech-panopticum toeziet op de levenslange instandhouding van repressieve rolpatronen die je onbewust leegzuigen tot je als swipeslaaf zelfs de klimatologische ineenstorting van de aarde en daarmee van de hele menselijke soort geen barst kan schelen.
Daar komt nog bij dat de antropocentrische wereldbeschouwing, hoe destructief ze ook mag zijn, te hardnekkig is, de democratische rechtsstaat verkruimelt als een Oreo-koekje in een glas melk en de geopolitieke wapenwedloop met het armpje-druk-niveau van een clubje hitsige haantjes vanzelf uitmondt in de laatste wereldoorlog.
Sorry, waar had je het over? Liefde voor de wereld? Ach, schei uit. Er is geen liefde in deze wereld, want er is nauwelijks meer een wereld. Alles is stom en van steen. Hier is trouwens je diploma, succes ermee!
Dat is min of meer de aangekweekte levensovertuiging die je na je collegegang hebt opgedaan, niet verkondigd door professoren of uitgesproken tijdens de dies natalis, evenmin te vinden op literatuurlijsten, maar subtieler geïnternaliseerd als de lucht die je inademt, wind in and out of unwholesome lungs.
Maar ik weiger.
En met Etty Hillesum weerspreek ik dit quasiwetenschappelijke polderpessimisme zoals zij dat deed op de laatste bladzijde van haar dagboeken: ‘Het is misschien te begrijpen, maar het is kortzichtig. En oneindig verarmend.’
Want er is alles in de wereld. Er is zonsopgang en er is lekkage, dus is er zonlichtlekkage. Dat zal ik mijn leerlingen bijbrengen en wie weet, misschien lopen ze op een dag met liefde voor de wereld mijn lokaal uit, want welk ander doel ik als docent ook mag hebben, de woorden van Guillaume van der Graft blijven onverminderd van kracht:
‘Het is niet genoeg / er moeten namen worden genoemd / dingen gedoopt / kinderen uitgezonden’.
Henrik Laban is docent Nederlands en volgt de lerarenmaster