Op een zwartwit foto kijkt een jonge vrouw omhoog terwijl ze haar Rolleiflexcamera voor haar borst houdt. Het is een strak beeld. Ze heeft iets strengs over zich terwijl ze afdrukt. Vlak naast dit zelfportret uit 1931 van de Nederlands-Hongaarse fotograaf Eva Besnyö (1910-2003) hangt een andere foto uit hetzelfde jaar die een totaal ander licht op haar werpt.
Op dat zelfportret hangt ze voorover, en kijkt neer op haar camera. Haar wilde haren domineren het frame wat haar een beetje doet lijken op The Cure-zanger Robert Smith of zelfs Edward Scissorhands. Het lijkt haast een gothic negatief van het eerste zelfportret.
De twee foto’s zijn te zien op de expositie De bevrijde camera in het Fotomuseum Den Haag.
De Joodse Besnyö werd in 1910 geboren in Boedapest, dat redelijk welvarend was totdat het keizerrijk Oostenrijk-Hongarije na de Eerste Wereldoorlog instortte. Voor met name Joodse vrouwen waren er niet veel mogelijkheden om zich te ontplooien in het steeds antisemitischer wordende Hongarije, maar Besnyö groeide op in een betrekkelijk progressief gezin. Toen ze een jaar of vijftien was, kreeg ze van haar vader een Kodak Brownie, een eenvoudige camera die voor een explosie van creativiteit zou zorgen.
strakke vormen
‘Het was eigenlijk de bevrijde camera’, zei ze daar zelf over in 1976. ‘Wat je zag en wilde uitdrukken, dat fotografeerde je zoals je wilde.’
In het eerste beeld van de tentoonstelling, komen veel elementen van haar werk samen. Op de foto uit 1929 zijn de silhouetten te zien van Besnyö en haar zus Magda. De stenen waarop hun schaduw valt, vormen een raster van lijnen die voor een vervreemdend effect zorgen. De vingers van de zussen raken elkaar, waardoor er een contrast ontstaat tussen warme menselijkheid en strakke geometrische vormen.
Dat keert in veel van de foto’s van Besnyö terug. Het is weliswaar onmiddellijk duidelijk wat je ziet, maar vaak speelt ze met de ruimte van het tafereel, waardoor er iets niet helemaal lijkt te kloppen.
Een van haar bekendste foto, uit 1931, is die van een jongen die een contrabas meezeult op zijn rug. Het instrument is groter dan de jongen, zit onder het stof en is beschadigd. Hij loopt op een zandweg, aan beide kanten is een bomenrij te zien. De jeugdige muzikant wordt haast het verdwijnpunt aan de horizon ingezogen.
doodgewone straathoek
Al snel liet de ambitieuze Besnyö Hongarije achter zich en vertrok ze in 1930 naar Berlijn, dé culturele hotspot in die periode, voordat de nazi’s daar rigoureus een eind aan maakten. Haar foto van de Starnberger Straße is op de expositie opgeblazen tot muur vullend formaat. Die keuze is begrijpelijk, want het werk raakt de essentie van haar werk. Het beeld van een doodgewone straathoek met een Konditorei, reclamezuil, stilstaande auto en wat mensen wordt horizontaal doormidden gekliefd. De onderkant baadt in het zonlicht, de bovenkant is grijs. Alle schaduwen zijn lang uitgesmeerd op het trottoir en de weg. Het dertien in dozijn-kruispunt groeit uit tot een enorme ruimte en krijgt een compleet andere uitstraling.
De foto past in de internationale stroming van ‘Nieuwe Fotografie’ die de wereld op een experimentele manier toont, maar toch dicht bij de werkelijkheid blijft. Besnyö dompelt zich niet onder in surrealisme en absurdisme.
Naast het spelen met ruimte staan ook portretten centraal in haar werk. In Duitsland maakte ze close-ups van vrouwelijke kunstenaars met een feministische twist. Actrice Hedi Heising kijkt haast spottend in de lens: ze laat zich door niemand vertellen hoe ze moet leven.
Vanwege de dreiging van de nazi’s moest Besnyö het bruisende Berlijn verlaten en ze vertrok met haar geliefde, cineast en fotograaf John Fernhout naar het veel burgerlijkere Nederland. Fernhouts moeder was de beroemde schilderes Charley Toorop. Zij vormde het middelpunt van een kring kunstenaars in Bergen. Besnyö maakte veel portretten van hen.
grimmige kant
Vanwege haar gevoel voor ruimte werd ze een veelgevraagd fotograaf voor architecten. Twee foto’s die ze maakte van een zomerhuis vallen op. Het zicht op het gazon vanuit de woonkamer is typisch Besnyö: een plant en de ramen van de serre werpen lange schaduwen op de vloer en de kamer lijkt haast een zaal te worden. Unheimisch is het beeld van het huis in het donker. Alle lichten staan aan, maar er is geen mens te zien. Het lijkt een still uit een horrorfilm.
Ze had tegelijkertijd ook oog voor de grimmige kant van de maatschappij en toonde de impact die de economische crisis in de jaren dertig had op Nederland. Een grote groep werklozen, op de rug gefotografeerd, staat in de rij bij een stempellokaal voor een uitkering. Dat een van de mannen zich omdraait en in de lens kijkt, maakt het beeld nog krachtiger.
De Tweede Wereldoorlog maakte een einde aan haar internationale opmars als topfotograaf. Als Joodse moest ze onderduiken. Haar vader kwam om in Auschwitz.
Dolle Mina
Met grafisch ontwerper Wim Brusse kreeg ze na de oorlog twee kinderen. Ook aan die relatie kwam een einde. ‘“De camera, dat is mijn geliefde”, vertelde ze een keer tegen me’, zegt fotograaf en biograaf Willem Diepraam in een korte documentaire die op de tentoonstelling te zien is. Het traditionele idee dat vooral de vrouw voor de kinderen moest zorgen stond op gespannen voet met Besnyö’s feministische idealen en de wens om zich weer op haar carrière te storten.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat ze in de jaren zeventig de huisfotograaf werd van actiegroep Dolle Mina. Op een foto zijn drie wit geschminkte vrouwen te zien die zich verzetten tegen strenge abortuswetgeving. ‘Terug naar de breinaald’, staat er op de protestborden om hun nek.
In een documentaire uit 2002, een jaar voordat Besnyö zou overlijden, is te zien hoe haar archief wordt verhuisd naar een instituut. ‘In een uur is alles weg, wat ik in zeventig jaar heb gedaan’, verzucht ze in haar woonkamer zonder te blijven hangen in nostalgie. ‘Ik vind het fijn dat het weg is, dan wordt er tenminste iets mee gedaan, althans dat hoop ik.’
Eva Besnyö, De bevrijde camera. Fotomuseum Den Haag, t/m 31 jan 2027. € 18,50 (studenten € 8,50)