‘Het politiewerk is voor een groot deel nog steeds reactief’, zegt onderzoeker Jasper De Paepe. Oftewel: agenten rijden naar meldingen toe om daar conflicten op te lossen, slachtoffers te helpen of verdachten op te pakken.
Maar met de komst van wijkagenten, die weten wat er op wijkniveau speelt, probeert de politie zowel sociaal als fysiek veel dichter bij de burger te staan en ook preventief te werk te gaan. Dat is kortgezegd de filosofie van community-oriented policing of gebiedsgebonden politiewerk. ‘Die filosofie is in Nederland in de jaren zestig ontstaan’, zegt De Paepe die onlangs promoveerde op het proefschrift From doorstep to dashboard. ‘De Nederlandse politie werkt nu in basisteams, waarbinnen wijkagenten een belangrijke rol spelen. Zij zijn eigenlijk de belichaming van community-oriented policing. Daarop heb ik in mijn onderzoek ingezoomd.’
Toegang
De Paepe wilde weten hoe wijkagenten in Nederland en België gebruikmaken van technologie en moderne communicatiemiddelen, en hoe zij die combineren met fysiek contact met de burgers. Daarvoor ging hij in totaal 545 uur met ze op pad.
‘Het zijn allebei landen waar community-oriented policing de overkoepelende filosofie is en waar de politie op vergelijkbare wijze is georganiseerd’, licht hij toe. ‘De landen hebben een vergelijkbare historie en leunen sociaal en cultureel dicht tegen elkaar aan. Bijvoorbeeld hoe de overheid en rechterlijke macht zijn georganiseerd.’
Het kostte wel wat onderhandelingswerk om toegang te krijgen. Een ethische commissie beoordeelde waaraan de onderzoeker wel en niet mocht deelnemen en er werden duidelijke afspraken gemaakt over onder meer privacy. ‘Uiteindelijk stonden veel wijkagenten open voor mijn onderzoek. Dat was erg fijn, want anders had ik mijn onderzoek moeten stoppen.’
Hij volgde hun volledige diensten. ‘Het begon met een briefing in de ochtend, daarna ging ik mee de straat op waar de agenten praatjes maakten met burgers en andere taken verrichtten. Naderhand ging ik mee terug naar het bureau voor de debriefing.’
Ze verplaatsten zich vooral per fiets door de wijken. ‘Ik reed zelf niet op een politiefiets, maar op mijn oude stadsfiets.’ Bewapend met een klein notitieboekje, noteerde de onderzoeker wat hij zag. Bij welke basisteams hij meeliep, mag hij in verband met privacy niet zeggen. ‘Wel kan ik zeggen dat het in beide landen stedelijke omgevingen waren.’
Hoe reageerden de mensen op straat op hem, aangezien hij geen uniform droeg? ‘Wanneer we niet meteen toelichtten wie ik was en waarom ik erbij was, was het wat onwennig’, erkent hij. ‘Voor de politieagenten was het ook een beetje vreemd om te zeggen: hij is een onderzoeker van de universiteit. Dus ik werd vaak voorgesteld als een stagiair.’
Supermannen
Wanneer er heel persoonlijke gesprekken moesten worden gevoerd, ‘bijvoorbeeld als de politie met een informant sprak’, moest hij zich afzijdig houden. ‘Bovendien moest ik altijd eerst aan mijn eigen veiligheid denken, zodat de agenten hun werk konden doen en niet ook mij nog moesten beschermen.’
Uit zijn proefschrift blijkt dat wijkagenten veel vrijheid krijgen in hoe ze hun werk invullen. Dat vinden ze aan de ene kant fijn, al gaven veel agenten ook aan behoefte te hebben aan een duidelijker kader. ‘Ze hebben het idee vooral zelf te moeten uitzoeken hoe ze dingen moeten aanpakken. Terwijl uit politieke discussies in beide landen blijkt dat de verwachtingen torenhoog zijn. Als er maatschappelijke problemen zijn wordt er gesteld dat er een paar wijkagenten bij moeten. Zij zullen de problemen wel oplossen, alsof het supermannen zijn.’
Wijkagenten hanteren verschillende stijlen in hoe ze met burgers contact onderhouden en informatie inwinnen. ‘De ene is juist veel fysiek in de wijk aanwezig, de andere veel via sociale media. De aanpak hangt vooral af van het soort wijk. Wijken met een grote studentenpopulatie hebben vaak wijkagenten die veel gebruikmaken van sociale media, waarmee ze makkelijk contacten onderhouden. Met Instagramposts en stories wordt hun zichtbaarheid groter. In wijken met een oudere bevolking kiezen wijkagenten vaker voor meer fysieke aanwezigheid.’
Laagdrempelig
Zo sprak hij een wijkagent die niet alleen online berichten postte, maar ook kon worden benaderd door DM’s (direct messages) op sociale media. ‘Hij had een dermate groot werkgebied, dat hij zich verplaatste op een e-bike. Zelfs daarmee was hij niet in staat om overal op één dag te komen. Om toch te kunnen laten zien waar hij mee bezig was, postte hij berichten op Instagram en konden burgers hem zo contacteren.’
Dat legde hem geen windeieren. ‘In het nabijgelegen speelpark van een lagere school werd regelmatig een ravage aangericht: vuilnisbakken werden in brand gestoken, er werd illegaal met graffiti gespoten en er werden andere kwajongensstreken gepleegd. Hij had al eerder contact gehad met jongeren die dit hadden gedaan. Op een dag was er weer een ravage in dat park aangericht. Toen kreeg hij een DM van een van die hangjongeren. “Wij waren het deze keer niet”, schreven ze. “Maar we weten wel wie het wel zijn.” Doordat ze elkaar kenden en de wijkagent zo benaderbaar was, was het voor de jongeren laagdrempelig om contact met hem te zoeken.’
Maar sommigen gaan wel héél ver met het gebruik van digitale communicatiemiddelen, vindt De Paepe. ‘In Nederland krijgt de digitale wijkagent steeds meer voet aan de grond. Zij gaan amper nog de wijk in, maar zitten bijna uitsluitend op sociale media en maken gebruik van online databases om te zoeken naar bepaalde patronen in de wijk. Zij zijn ervan overtuigd dat ze zo beter zicht krijgen op wat er leeft. Ik sta daar vrij kritisch tegenover. Mijns inziens zouden sociale media als aanvulling moeten dienen op het fysieke werk en niet als vervanging. Sociale media kunnen goed worden gebruikt om het contact te onderhouden, maar het eerste contact maak je veel makkelijker fysiek.’
Jasper De Paepe, From doorstep to dashboard: community-oriented policing, technology, and neighbourhood police officers. Promotie was op 3 september