‘Ik heb het altijd ontzettend leuk gevonden om talen te leren’, vertelt linguïst en neurowetenschapper Olga Kepinska van de Universiteit van Marseille. ‘Je kunt door taal nieuwe mensen en culturen ontdekken zonder dat je daarvoor je huis hoeft te verlaten. Je stapt als het ware uit je eigen bubbel. Dat heeft me altijd gefascineerd.’
Zelf heeft Kepinska wat ze in het Nederlands ‘een talenknobbel’ noemt. Haar moedertaal is Pools, ze spreekt vloeiend Engels, op school leerde ze Duits en Spaans en in Polen begon ze aan Nederlands. Inmiddels woont ze in Frankrijk en spreekt ze dagelijks Frans. Ook volgde ze ooit lessen Portugees. Op 29 oktober geeft ze in het Lipsius een lezing over hoe meertaligheid het brein vormt.
Hoeveel talen ze precies spreekt? ‘Dat hangt ervan af hoe je telt. Er zit nogal een verschil tussen de talen die ik ken. Portugees heb ik bijvoorbeeld maar een jaar gestudeerd, zo’n tien of vijftien jaar geleden. Dat kun je moeilijk op hetzelfde niveau zetten als mijn Engels.’
woordenschat
Dat onderscheid is ook belangrijk in haar onderzoek. Wie meertaligheid wil onderzoeken, kan niet simpelweg alle talen turven die iemand ooit heeft geleerd. ‘Dan mis je dat onze ervaring met iedere taal anders is.’
Bovendien maakt het uit hoe sterk die talen van elkaar verschillen. ‘Nederlands en Engels lijken behoorlijk op elkaar. Ze komen uit dezelfde taalfamilie, de woordenschat overlapt voor een groot deel en ook de klanken en grammatica vertonen overeenkomsten. Dat is heel anders als je bijvoorbeeld Nederlands en Mandarijn spreekt.’
Kepinska ontwikkelde daarom een methode die deze onderlinge taalkundige verschillen bepaalt. Daarmee onderzocht ze vervolgens wat meertaligheid doet met de werking en structuur van het brein.
Voor een van haar studies vergeleek ze hersenscans van personen die slechts één taal spraken met die van mensen die er zeven kenden. Daarbij zoomde ze in op de auditieve cortex, een klein hersengebied dat geluid verwerkt. ‘Het is ongeveer zo groot als het bovenste kootje van mijn pink. Maar alles wat je hoort, komt daarlangs: niet alleen taal, maar ook de auto’s die voorbijrijden.’
blote oog
Hoe dat gebied eruitziet, verschilt per persoon. ‘De anatomie ervan blijkt verband te houden met aanleg en ervaring. Zo hebben mensen met uitzonderlijk muzikaal talent echt een bijzondere auditieve cortex. Sommige neurowetenschappers kunnen bij professionele musici met het blote oog zien of een brein van een musicus is. In dat gebied zie je als het ware een afdruk van wie we zijn en wat we in ons leven doen.’
Zo’n afdruk vond Kepinska ook bij meertaligen. Hoe meer talen iemand sprak en hoe sterker de klanken daarvan verschillen, hoe dunner een deel van de auditieve cortex is. ‘Als je zeven talen spreekt, groeit er natuurlijk niet ineens een extra hersenwinding bij, net zoals een musicus ook geen derde oor krijgt. Het verschil zit in de dikte van de hersenschors.’
Maar daarmee is nog niet gezegd dat meertaligheid die verschillen ook veroorzaakt. Het zou ook kunnen dat mensen met bepaalde hersenkenmerken simpelweg makkelijker talen leren. ‘We kunnen niet met zekerheid over causaliteit spreken. We hebben mensen op één moment onderzocht en kunnen dus alleen verbanden aantonen.’
Opvallend was wel dat zodra Kepinska meenam hoe sterk de klanken van iemands talen van elkaar verschilden, het verband met de dikte van de hersenschors sterker werd. ‘Dat is voor ons een aanwijzing dat de ervaring met verschillende talen daadwerkelijk een rol speelt.’
Dat sommigen meer aanleg hebben voor talen dan anderen, staat voor Kepinska overigens wel vast. Tijdens haar promotieonderzoek in Leiden liet ze proefpersonen in een hersenscanner een compleet nieuwe, kunstmatige taal leren. Daarbij vergeleek ze gemiddelde taalleerders met mensen met een uitzonderlijk grote talenknobbel.
foetussen onderzoeken
‘Bij die laatste groep zagen we andere hersenactiviteit, vooral in de rechterhelft. Dat vond ik heel interessant, omdat we taalverwerking normaal gesproken vooral met de linkerhersenhelft associëren.’
Tijdens het proces lijkt de rechterhelft bij goede taalleerders bij te springen. ‘En als de kennis eenmaal is verworven, nestelt die zich als het ware in de gespecialiseerde taalgebieden in de linkerhersenhelft.’
Om beter te kunnen achterhalen wat oorzaak en gevolg is, wil Kepinska foetussen onderzoeken. In Marseille gaat ze vrouwen tijdens hun zwangerschap twee keer met MRI onderzoeken. Tegelijkertijd brengt ze in kaart welke talen de moeder spreekt en hoeveel verschillende klanken de foetus daarmee te horen krijgt.
‘We willen de effecten van meertaligheid zo vroeg mogelijk in het brein bekijken. In het derde trimester kunnen ze al horen. Er is al onderzoek dat laat zien dat bepaalde onderdelen van spraak, zoals de melodie en het ritme, hen daadwerkelijk voorbereiden op het leren van taal later. De grote vraag is: wat doen ze met de informatie die ze horen? Vormt die hun brein of maakt het eigenlijk niet zoveel uit?’
spraakstroom
Eenmaal geboren zijn baby’s ontzettend druk met het oppikken van regelmatigheden in hun omgeving.
‘Ze bouwen dan al de eerste vaardigheden op om spraak waar te nemen door woorden uit de spraakstroom te halen en verschillende spraakklanken van elkaar te onderscheiden. Een van onze hypotheses is dat een grote diversiteit aan klanken in de omgeving van de foetus er misschien voor zorgt dat kinderen later beter worden in het leren van taal.’
Daarmee hoopt Kepinska niet alleen meer te weten te komen over hoe we talen leren, maar kan meertaligheid ook aantonen hoe flexibel het menselijk brein überhaupt is.
‘Taal is een toegangspoort tot andere mensen, maar ook tot het brein. Het geeft ons een inkijkje in wat ons menselijk maakt.’
Olga Kepinska, How does multilingualism shape the brain? Lipsius, 0.05, donderdag 29 oktober 16:00 u