‘Gebruik die brakke mono-focus!’
Het is donderdagavond, kwart over tien en orkestdirigent David de Goede spoort de musici van Sempre Crescendo aan om nog even de concentratie vol te houden. ‘Deel acht, en spelen alsof we hem voor de derde keer doen’, zegt de dirigent, om zogenaamd de eerste twee inzetten - die vaak nog verkeerd gaan - over te slaan. Hij houdt zijn dirigeerstokje in de lucht, en koor en orkest zetten in.
Er wordt driftig gerepeteerd voor het lustrumconcert van de vereniging, die dit jaar haar 195-jarig bestaan viert en op 3 mei in de Stadsgehoorzaal ‘Carmina Burana’ van Carl Orff uitvoert. Dat stuk uit 1937 was eerst even wennen voor de muzikanten, zegt koordirigent Albert Jan de Boer, maar nadat ze de vertalingen van de teksten bekeken bracht het toch veel enthousiasme teweeg.
‘Het gaat over drinken en het gaat over neuken. En dat blijkt heel erg tot de verbeelding te spreken van de gemiddelde student, gek genoeg’, lacht hij. ‘De muziek zelf is ook gewoon heel enthousiast.’
Voor de pauze was het nog wat meer inkomen. Orkest en koor repeteerden toen in losse ruimtes. Het koor, dat bestaat uit zo’n 130 man, staat in een schemerige repetitieruimte waar het minstens 5 graden warmer is dan op de gang. Sommigen kijken wat brak uit de ogen. Maar als de mannen een paar maten moeten oefenen, zingen ze uit volle borst.
‘Wie zingt de middeltenor?’ vraagt koordirigent De Boer. Eén hand gaat de lucht in. ‘In je eentje?’
Terwijl de tenoren hun loopje samen oefenen, drinkt een bas de laatste druppels uit zijn flesje Heineken.
‘Nog een keer’, beveelt De Boer.
‘Was dat goed?’ reageert een tenor verbaasd.
Sempre Crescendo werd in 1828 opgericht als muziekgezelschap op de middelbare school Gymnasium Haganum. Toen de leden gingen studeren groeide het gezelschap mee. In december 1831 werd het studentenmuziekgezelschap in het leven geroepen. In eerste instantie bood het een podium aan ‘werkende leden’ (muzikanten) terwijl ‘niet-werkende leden’ (publiek) mochten komen luisteren bij tweewekelijkse soirées in de Stadsgehoorzaal.
‘Dat was soms best chaotisch en zag eruit als een soort zaalavond op Minerva’, vertelt Maurits van Woercom (21, rechten en Griekse en Latijnse taal en cultuur). Hij zingt bas in het koor en is voorzitter van de lustrumcommissie. ‘Er zaten ordecommissarissen in de zaal, aan hun eigen tafeltje, want het kwam voor dat ze leden tot bedaren moesten brengen omdat die te veel gedronken hadden of gewoon door de muziek heen wilden schreeuwen. Er werd soms over Beethoven gezegd dat het zulke prettige muziek was, omdat je er zo goed doorheen kon keuvelen. Het systeem van commissarissen op Minerva heeft daar waarschijnlijk zijn oorsprong gevonden. Dat is ook niet zo gek, want de leden van Sempre zaten bijna ook allemaal bij de sociëteit.’
Veel van de koorleden staan op donderdagavond met een biertje in de hand te zingen. Dat was voor koordirigent De Boer wel ‘even wennen’, geeft hij toe. Alcohol is slecht voor de stem, en de meeste zangers blijven daar dus, zeker tijdens het zingen, ver vandaan.
‘Ik kom uit een traditie van “als je hard werkt, mag je daarna bier drinken”, maar hier wordt tijdens het werken bier gedronken. Maar juist dat maakt de vereniging zoals hij is. Onder elke stoel staat een flesje bier en vaak gaat er eentje om, wat weer tot hilariteit leidt. Maar dat hoort zo op een studentensociëteit.’
Als orkestdirigent De Goede na de pauze aankondigt dat ze het dranklied ‘In taberna quando sumus’ gaan repeteren, wordt dat met enthousiast geknik ontvangen. Zodra het orkest de introductie inzet, beginnen de koorleden mee te dansen met de opzwepende tonen.
Dranch-orgel
In de negentiende eeuw groeide het kleinere muziekgezelschap uit tot een groot orkest. In de jaren ’60 van de twintigste eeuw kwam het koor erbij. Inmiddels bestaat Sempre Crescendo uit een – volgens de karakteristieke verenigingsspelling – orchest, choir, madrigaal (een kleiner zangkoor met alleen vrouwen) en een padrigaal (de mannelijke tegenhanger).
In de Sempre-salon, de borrelruimte op de bovenste verdieping bij Minerva wordt traditiegetrouw iedere donderdag na de repetitie gedronken bij kaarslicht. Telefoons mogen niet mee naar binnen. Een oude dirigentenbok fungeert als bar. Alleen noemen de leden het een boch. Bier ligt in de ijschast. De uitgeholde piano, gevuld met wijnglazen, heet het dranch-orgel.
‘Dat is omdat we de K vrij structureel vervangen door CH’, legt Van Woercom uit. ‘Vanwege een typmachine van een vroegere abactis, waar de K het niet meer deed.’
Tenor Jisk van der Veen (25, geschiedenis) vult aan: ‘Dus die verving alles met CH, sindsdien is dat mos.’ En ja, geeft hij toe, choir had volgens die regels eigenlijk choor moeten zijn. ‘Maar goor klinkt minder goed.’
Sempre Crescendo is een subvereniging van Minerva, maar leden hoeven niet meer lid te zijn bij het corps om zich te mogen aansluiten bij het muziekgezelschap. Vanaf de jaren ’60 werd de vereniging mondjesmaat geopend voor het brede publiek.
Brand
Van Woercom wijst naar het geraamte van een zwartgeblakerd vaandel aan de muur. Behalve een paar dunne repen stof en de houten standaard is er niets meer van over. ‘Dat komt door de brand in 1959.’ Die brak uit na de generale voor het diesconcert van dat jaar. ‘Alle instrumenten stonden hier ook. Er is nog best veel gered. Iemand heeft dat brandende vaandel, het oudste dat we hebben, in een tapijt gerold en van het balkon gegooid.’
Na de brand repeteerden de musici noodgedwongen in de sociëteit van de Vereeniging van Vrouwelijke Studenten te Leiden (VVSL), die toen nog gescheiden was van het corps. ‘Toen mochten ook de dames meedoen. In die korte periode is Sempre afhankelijk geworden van de VVSL-leden: toen ze terugkeerden naar Minerva konden ze niet meer zonder de vrouwen. Bovendien was het ook gewoon logisch dat de vrouwen mochten blijven meedoen.’
Enige probleem: ze waren nog niet welkom op de sociëteit. Daarom mochten ze uitsluitend via de catacomben het pand betreden. Van Woercom: ‘Want anders kwamen ze langs de conversatiezaal en konden ze mannen zien borrelen. Bovendien zou dat ook weer de mannen afleiden.’
In de rest van het pand van Minerva klinken deze donderdagavond steeds meer borrelgeluiden, maar in de repetitiezaal, waar de vloer naar bier ruikt, wordt nog hard gewerkt. ‘Vir, vir, vir’, zingen de mannen de Latijnse tekst uit ‘Carmina Burana’, maar dan met Leidse R: ‘Virw, virw, virw!’
De vereniging is de afgelopen jaren alleen maar gegroeid, vertelt bestuurslid Myrthe Hoekema (21, filosofie), zoveel dat er voor nieuwe leden een choirstop geldt. ‘Als er te veel mensen bij komen, moeten we audities gaan houden.’ Dat komt door de laagdrempeligheid van het orkest, maar met name van het koor. ‘Het enige wat je nodig hebt, is enthousiasme.’
Toen de sopraan zelf lid werd, had ze ook nog geen zangervaring. ‘Een vriend van mij zat er al bij, maar ik wist dat hij helemaal niet zo goed kon zingen. Dus ik dacht: dit moet ik zelf zien. Bij de eerste repetitie werd ik helemaal verliefd op dat samen zingen. Je maakt samen geluid dat direct best goed klinkt. Zo is mijn liefde voor klassieke muziek ontwikkeld. Ik heb nu al twee jaar klassiek zangles.’
In de afgelopen jaren organiseerde Sempre bijna tweejaarlijks een grachtenconcert als cadeautje aan de stad. Ook dit lustrum doet de vereniging dat weer, op 26 juni in de Stadsgehoorzaal, die dit jaar tweehonderd jaar bestaat, en waarmee Sempre haar oudste geschiedenis deelt. ‘Het wordt een gratis concert’, vertelt bestuurslid en violist Celeste Blom (21, rechten en geschiedenis). ‘We gaan contact opnemen met azc’s en voedselbanken om zoveel mogelijk mensen die misschien nooit naar een klassiek concert zijn geweest of daartoe niet de mogelijkheden hebben, erbij te krijgen.’
Traantje wegpinken
De bestuursleden kunnen met gemak uren volpraten over de geschiedenis. Zo was er het eeuwfeest in 1931, waar prinses Juliana de huidige voorzittershamer schonk. Van Woercom: ‘Die is aan één kant versierd met een zilveren J en een kroontje. Met die kant mag de preses dus nooit slaan, want we willen voorkomen dat Hare Koninklijke Hoogheid hoofdpijn krijgt.’
Als Van der Veen herinneringen ophaalt, moet hij een traantje wegpinken. Hij vertelt over een nummer voor het lustrumalbum dat hem enorm raakt. ‘Een vriend had een heel mooie tekst geschreven, die de sfeer van Sempre perfect pakte. We voerden het voor het eerst op tijdens de dies van vorig jaar. Hij op piano, en ik op saxofoon. Het was voor mij een bekroning van mijn tijd bij Sempre: om dat lied te spelen voor al die leden, die het helemaal begrepen. Het was zó mooi, daar word ik nu nog emotioneel van.’
Hij is niet de enige die moet huilen. Op de muur van de salon – tussen foto’s van dirigent Jaap van Zweden, pianist Wibi Soerjadi en een tekening van componist Franz Liszt, die in 1842 een bezoek aan de vereniging bracht – is het gedicht ‘Immortelle XXV’ geverfd van Piet Paaltjens, die niet-werkend lid was tijdens zijn studententijd (1852-1858):
Hoor ik op Sempre een waldhoorn,
Of ook wel een Turkse trom,
Dan moet ik zo bitter wenen;
En – ik weet zelf niet waarom.
Vraagt een der werkende leden:
‘Hoe kan een Turkse trom
Of een waldhoorn u zo roeren?’ –
Dan weet ik zelf niet waarom.
Is ’t wijl in beter dagen
Een vriend de Turkse trom
Niet onverdienstlijk bespeelde?
Ach, ik weet zelf niet waarom.
Sempre Crescendo. Carmina Burana. 3 mei (uitverkocht),
Lustrumconcert, 26 juni (gratis), beide: Stadsgehoorzaal Leiden