Columns & opinie
Waarom houden we geen hartstochtelijk betoog over existentiële zelftwijfel?
Ik herken de wanhopige peinsblik bij de aankomende poging mijn voornaam feilloos uit te spreken uit duizenden.
Henrik Laban
donderdag 17 september 2026

‘Nou, dank je wel, Rosanne! Erg leuk om te horen dat jij ook zo van boulderen houdt. Mijn partner en ik vinden het ook te gek, vooral doordeweeks na een lange werkdag. En dan komen we nu bij je buurman…’

Ze spiekt ijlings op het keurig geprinte namenlijstje tussen haar ellebogen, die samen met de bureautafel en haar ineengevouwen handen een ingezakte driehoek vormen waarop ze liefelijk maar ietwat nerveus haar juffentronie laat rusten. Ze staart net wat te lang mijn kant op met haar fel oceaanblauwe ogen waarin de vraagtekens langzaam als dode vissen naar boven komen drijven. Ik herken de wanhopige peinsblik bij de aankomende poging mijn voornaam feilloos uit te spreken uit duizenden.

Ook zij staat de typische doodangsten uit: is het nu met of zonder ‘d’?

Dan klateren de waterige vraagtekens van haar peinsblik op mijn primitieve naambordje, dat ze geconcentreerd en bijna manisch geheel in zich opneemt, zoals een visser de dobber tussen zijn beide oogballen samenperst.

Waarschijnlijk moet ik nu denken dat ze uitgebreid de moeite neemt om mijn hanenpoten te ontcijferen en heb ik, gevleid door deze innemende inspanning en gebonden aan de beleefdheidsnormen van een eerste kennismaking, elke fout die ze dadelijk maakt te vergeven.

Maar de verkeerde uitspraak van mijn voornaam is eigenlijk een volkomen bagatel bij de onmogelijke vraag die er meestal op volgt, de vraag waar elke sterveling voor huivert, de vraag die meedogenloos je leven openrijt, terwijl je onder systeemplafonds in troebele automaatkoffie de zwartgalligheid van je ziel gereflecteerd ziet bij het troosteloze herfsttij van een monotone septemberregen.

‘Hendrik, zeg ik het zo goed? Vertel, wie ben jij?’

En dit snap ik dus niet, dat niemand die vraag ooit een keer au sérieux neemt, met de vuist op tafel slaat, presidentieel opstaat en een hartstochtelijk autobiografisch vertoog houdt over zijn existentiële zelfvertwijfeling. 

‘Stel: je bent, patsboem, op slag dood, iedereen janken. Moet ik dan zeggen: hij was teammanager?’

‘Wie ik ben vraag je me? Ik, ik ben een gekrenkte drummer die eens als een rijzende ster aan het firmament zijn muzikale carrière zou aanzwengelen op het North Sea Jazz Festival, tot ik stukgesnoven uitdoofde en neerstortte, en thans mijn witte staart van geruïneerde dromen en schulden enigszins probeer te repareren door een beschaafde burgerbaan te vinden via deze studie. Aangenaam!’

Zou zoiets niet ontwapenend zijn? Zo, hoppa, al je zielenleed schaamteloos bij iemand neerkwakken van wiens bestaan je tot twee minuten terug nog geen weet had. Da’s pas een kennismaking.

Maar nee, in tegenstelling tot een ware ontmoeting, waarin we iets ongewoons of werkelijks over onszelf prijsgeven, verschuilen we ons in een schools voorstelrondje achter banale feiten van een eenmaal vastgelegd en oersaai patroon om ten koste van alles ‘normaal’ over te komen.

Is dat echt wat je tegen nieuwe lotgenoten te zeggen hebt, dat je uit Boxmeer komt? Stel je loopt zo naar buiten en oh nee, je wordt per ongeluk geschept door een tram, patsboem, op slag dood, iedereen janken, dan moet ik kunnen zeggen, daar ligt Björn, hij was teammanager?

Komaan, wees wat moediger. Je stalt je ganse leven ongegeneerd uit op de socials, van je ruigste rave tot je laatste LOI-cursus, maar in den vleze durf je niet meer te delen dan je burgerlijke stand, waarbij je zelf evenzeer in slaap valt. In het AI-tijdperk waarin het onderscheid tussen echt en nep steeds meer vervaagt, zou het toch een aanwinst zijn om onszelf menselijker voor te stellen dan met CBS-gegevens en een persoonlijke taal te zoeken die waarachtig de onze is, zodat we elkaar waarachtig ontmoeten. En daar hebben we nu bovenal behoefte aan: echte, menselijke ontmoeting.

Ze zit nog steeds in haar statueske houding voor me en wacht geduldig op mijn antwoord. De waterige vraagtekens in haar peinsblik hebben inmiddels speelse ringetjes gekregen, alsof de spanning eraf is. Net voordat ik mijn mond wil openen, is zij me voor.

‘Denk er niet te lang over na, we beginnen gewoon met wat basisweetjes van mekaar.’

 

Henrik Laban studeert filosofie