Achtergrond
Ooit droeg iedereen een toga: ‘Als je dit aanhad, was je heel deftig’
Vier eeuwen geleden gingen studenten in toga naar college. Kledinghistoricus Geeske Kruseman onderzoekt hoe de universitaire mode veranderde. ‘Als ik zie hoe sommigen nu in de collegezaal verschijnen... die waren er in mijn tijd waarschijnlijk uitgestuurd.’
Marciëlle van der Kraan
donderdag 1 oktober 2026
Een vrouw aan de Universiteit van Iowa promoveert in toga en badkostuum. Verenigde Staten van Amerika, 1932.

‘Je kleding, dat ben je zelf’, begint kledinghistoricus Geeske Kruseman, terwijl ze thuis nog even de afwas doet. Haar kat springt van het tuinhek en loopt door de openslaande deuren de keuken in. In de vensterbank naast de voordeur staat een paspop in kleding uit vervlogen tijden. ‘Een kledingstuk ontstaat in een bepaalde context, voor bepaalde mensen, voor bepaald werk, voor bepaalde bezigheden. En vervolgens veranderen de context, de mensen én het kledingstuk.’

Kruseman geeft woensdagavond een lezing in het Academiegebouw tijdens de bijeenkomst ‘Stof tot nadenken: van toga tot trends’. 
Toen de Leidse universiteit in 1575 haar deuren opende, droeg iedereen een toga. ‘Zowel studenten als professoren verschenen in toga, maar dat was toen helemaal niet zo speciaal. Het kledingvoorschrift was: als je op college komt, moet je er netjes uitzien, dus kom je in toga. Een toga, eigenlijk gewoon een tabbaard, was toen een heel courant kledingstuk.’

Statussymbool

Het woord toga betekent ‘bedekken’ of ‘bekleden’ in het Latijn. ‘Ze hebben een Latijns woord uit het woordenboek geplukt dat ze geschikt vonden om die tabbaard op de universiteit aan te duiden. Alleen betekende dat woord bij de Romeinen iets heel anders. Dan moet je denken aan een zes meter lange, witte, wollen stof die je om een senator of keizer drapeerde. Een statussymbool: kijk mij eens belangrijk en mooi zijn, ik hoef geen lichamelijke arbeid te verrichten, daar heb ik mijn mensen voor.’

Hoe zo’n zestiende-eeuwse toga eruitzag? ‘Het is leuker als je even naar boven komt.’ In haar werkkamer liggen de stoffen en boeken opgestapeld. Kruseman stelt Jopie voor, een lappenpop waarvoor ze een toga op schaal heeft gemaakt.

‘Zolang je het niet uitprobeert, realiseer je je niet dat je een tekening verkeerd geïnterpreteerd hebt.’

Het zwarte, wollen gewaad lijkt nog het meest op een wijde jas tot aan de knieën. Een brede witte revers ligt over de schouders en loopt steeds smaller naar beneden toe, op de rug valt de stof in ruime plooien. Onder de oksels zitten openingen waardoor de armen naar buiten kunnen en de lange mouwen afhangen langs het lichaam. ‘Als je dit aanhad, was je heel deftig.’

‘Het leuke is: dit is maar één van de modellen. Ze hadden er veel meer.’ Sommige tabbaards waren voetlang en ook de kraag, mouwen en schouderstukken konden verschillen. ‘Er waren eindeloos verschillende modellen. Iedereen die een beetje een heer was, had zo’n ding. Het kledingstuk was niet alleen voor de universiteit.’

Dat is terug te zien op een bekende gravure van de processie waarmee de universiteit in 1575 werd geopend. ‘Daar lopen alle professoren in hun toga’s, of tabbaards, want dat is het deftigste wat ze in hun kast hebben. En je ziet: ze zijn allemaal verschillend.’ Wanneer de huidige academische toga precies is ontstaan, weet Kruseman niet.

Naald en draad

Originele toga’s uit de begintijd van de universiteit zijn er niet meer. ‘Mensen vonden het zonde om zo’n ding te bewaren terwijl ze de stof zo goed konden gebruiken. En de motten hebben natuurlijk ook hun steentje bijgedragen.’

Om toch te achterhalen hoe de kleding in elkaar zat, doet ze wat ze ‘detective-arbeid’ noemt. Ze bestudeert schilderijen en oude kleermakersboeken, maar gaat zelf ook in de weer met naald en draad. ‘Zolang je het niet uitprobeert, realiseer je je niet dat je een tekening verkeerd geïnterpreteerd hebt.’

‘Er was een tijd dat een student die niet in pak met das liep, de collegezaal niet in kwam’

In de zeventiende eeuw verdween de toga langzaam uit het straatbeeld. ‘Het is hetzelfde als met een monnikspij. Zo’n bruin gewaad was in de vierde eeuw heel gewoon en werd daarom het voorschrift voor monniken. Maar de mode veranderde en de monniken bleven hetzelfde dragen, waardoor ze steeds verder af kwamen te staan van hun omgeving. Als die monnikenorden in de late negentiende eeuw waren uitgevonden, hadden ze waarschijnlijk spijkerbroeken aangetrokken.’

Zo ging het ook met de toga. ‘Steeds minder mensen droegen er een, totdat rechters en professoren overbleven.’ Ook aan de universiteit verdween het gewaad steeds verder uit beeld. Eerst bij de studenten in de collegebanken, later uit de colleges van professoren. Tegenwoordig komt de toga alleen nog bij ceremoniële gelegenheden uit de kast.

‘Als ik door Leiden loop, herken ik de studenten meteen’, vertelt Rosalie Sloof, conservator modekleding bij het Nederlands Openluchtmuseum, die ook zal optreden tijdens ‘Stof tot nadenken’. ‘Ze shoppen bij dezelfde winkels, zijn dezelfde soort consument. Ze lopen als een soort groepje op sneakers, Uggs en in bomberjacks. En ik zie het meteen als er een bestuursgroep door de stad loopt: allemaal hetzelfde pak met een vestje. Opvallend genoeg is de schoenkeuze daarin weer helemaal vrij.’

Vroeger zou juist zo’n pak van bestuursleden volgens Kruseman een stuk minder zijn opgevallen. ‘Er was een tijd dat een student die niet in pak met das liep, de collegezaal niet in kwam. Dat heb ik niet meer meegemaakt, maar mijn vader wel. En dat was toen zo normaal dat je het niet eens merkte. Als ik nu kijk waarin sommige studenten in een collegezaal verschijnen… die waren er in mijn tijd waarschijnlijk uitgestuurd.’

‘Het is bijzonder dat we nog steeds groepjes willen vormen met een clubnaam, dezelfde jas en dezelfde T-shirts’

In sommige landen hebben studenten die vrijheid niet. ‘Daar lopen ze allemaal in hetzelfde grijze schooluniform, maar hier kan alles’, zegt Sloof. ‘Sportteams lopen in hetzelfde shirtje, maar voor de rest bepalen we alles zelf. Voor sommige mensen is er te veel keuze en zij zijn juist blij om bij een clubje of vereniging te horen.’

Daardoor ontstaan er weer nieuwe uniformen, zegt Sloof. ‘Je hebt heel studentikoze groepen, in jasje-dasje, maar natuurlijk ook alternatieve groepen die meer bezig zijn met vintage. Je zoekt toch mensen op die een beetje hetzelfde zijn als jij en daar ga je je ook naar kleden. Als student ben je heel erg bezig met: waar hoor ik bij en wie wil ik zijn?’

Het varsity baseball-jasje is een bekend kledingstuk om die identiteit uit te drukken. ‘De jasjes staan voor vrijheid en jeugdigheid, dat was in de jaren vijftig ook al zo. Het is een ijzersterk kledingstuk, want we kunnen er een laagje van onszelf overheen leggen door letters, cijfers of de naam van de universiteit erop te laten drukken.’

Sloof ziet kleding als een manier om verbinding te zoeken met mensen. ‘Met 3 oktober worden bijvoorbeeld heel veel rode baseball-jasjes gedragen. Iemand uit Syrië die in een baseball-jasje loopt en voor het eerst Leidens ontzet viert, kan zien: hé, we lijken allemaal heel erg op elkaar.’

Juist daarom vindt Sloof het niet zo vreemd dat mensen ook naar elkaar toe trekken in hun kledingkeus. ‘In een tijd waarin mode heel vrij is, is het bijzonder dat we nog steeds groepjes willen vormen met een clubnaam, dezelfde jas en dezelfde T-shirts. Dat is alleen maar heel leuk en menselijk. Een toga is voorgeschreven, maar hier kiezen we zelf voor.’


Stof tot nadenken: van toga tot trends. Met Geeske Kruseman, Pieter Slaman, Rosalie Sloof en Jennifer de Bruyckère. Lezing, Academiegebouw, woensdag 7 oktober, 19:30-21:00, toegang gratis, wel vooraf aanmelden via de universiteitswebsite