Het faculteitsbestuur had een onderzoek laten doen naar de mogelijkheid van het laten varen van de tweede lezer. De vraag kwam van de opleidingen, legde vice-decaan Jos Schaeken onlangs tijdens een raadsvergadering uit, en vanwege het mogelijk verminderen van de werkdruk. ‘Er zijn gigantisch veel tweede lezers, die zou je dan kunnen schrappen.’
Ook de bezuinigingen bij de faculteit speelden een rol in de wens om te kijken of het oordeel van één docent voldoende zou zijn. ‘We zijn in programma’s aan het snoeien’, zei decaan Henk te Velde. ‘Er zijn daardoor ook minder docenten om als tweede lezer te fungeren. Het aantal scripties neemt echter niet af. Naar verhouding moet je dus steeds meer tijd besteden aan scripties. Daarom is het niet verkeerd om dit goed te onderzoeken.’
‘We hebben er zorgvuldig naar gekeken en besloten om het niet te doen’, vulde Schaeken aan. In het rapport staat dat tweede lezers de objectiviteit en betrouwbaarheid van de beoordeling versterken en ‘het risico op subjectieve beoordelingen verkleind’ wordt. Ook krijgt de student meer feedback en is de kans om fraude te ontdekken groter wanneer er met vier ogen naar een scriptie wordt gekeken. Een belangrijk punt is dat opleidingen elders die de tweede lezer wel schrapten, in grote problemen kwamen met de visitatiecommissie. ‘Dan denk je wel twee keer na voordat je zelf daarvoor kiest’, aldus Schaeken.
Het bestuur gaat wel kijken of het scriptieformulier simpeler kan. ‘Wellicht zijn er mogelijkheden om sneller een oordeel op papier te zetten. We zijn in de marge op zoek naar manieren om het proces efficiënter te maken.’
Lager cijfer
De tweede beoordelaar geeft gemiddeld een lager cijfer dan de eerste lezer, blijkt uit het rapport. Bij de bacheloropleidingen is het gemiddelde cijfer van de eerste beoordelaar een 7,55 en dat van de tweede lezer een 7,38. Voor de masters is dat 7,68 en 7,49. Een van de mogelijke oorzaken van dat verschil is dat ‘bij de eerste lezer er sprake kan zijn van persoonlijke betrokkenheid met de begeleide student’.
Opvallend is verder dat er een grote variatie is in de gemiddelde oordelen tussen de bacheloropleidingen. Het gemiddelde van de eerste lezer varieert tussen 7,22 (Dutch Studies) en 7,99 (Latin American Studies). Het gemiddelde van de tweede lezer varieert tussen 7,19 (Dutch Studies) en 7,81 (Latin American Studies).
Bij de masters zijn de cijfers van de eerste lezer 7,48 (Arts and Culture) en 8,18 (Latin American Studies). De tweede lezer varieert tussen 7,29 (Arts and Culture) en 8,17 (Latin American Studies).
In 8 procent van de gevallen week bij de bachelorscripties het eindcijfer meer dan een half punt af van het cijfer van de eerste examinator. In 1,3 procent van de gevallen week het eindcijfer meer dan een punt af van het oordeel van de eerste lezer.
Bij een half procent gaf een van beide beoordelaars een onvoldoende, maar werd het na overleg toch een voldoende . In 75 procent werd die onvoldoende door de tweede lezer gegeven.
Bij masteropleidingen zijn er vergelijkbare getallen. Zo week bij 7 procent het eindcijfer meer dan een half punt af van het cijfer van de eerste examinator. Bij 0,7 procent week het cijfer meer dan 1 punt af van het oordeel van de eerste lezer. Bij 1 procent gaf een van de beoordelaars een onvoldoende, maar werd het eindcijfer toch een voldoende. In 60 procent van die gevallen werd de onvoldoende door de tweede lezer gegeven.