Afgelopen zaterdag namen wij afscheid van Jan Just Witkam. Twee dagen voor zijn overlijden had hij me nog een e-mail gestuurd. Het onderwerp luidde: ‘Spreekbeurt’: ‘Beste Carel, zou je willen spreken op mijn begrafenis? Bedankt alvast. Jan Just.’
Licht geamuseerd door het korte berichtje, belde ik hem op. ‘Ik ben bijna dood’, zei hij. Geschrokken sprong ik op de fiets. Mathilde, een van zijn vijf dochters, deed open en zorgde voor Spa Rood. Jan Just en ik brachten ruim een uur samen door. We zaten in die hoge stille kamer, in dat enorme huis, Huis Ter Lugt aan de Leidse Donkersteeg. Overal boeken, bladen, handschriften, dozen, aantekeningen, spullen. Het was de geesteswetenschap in haar meest tastbare vorm, een wereld van geleerdheid. We spraken over zijn werk, over Christiaan Snouck Hurgronje en over zijn collecties.
Kwetsbaar
Jan Just was kwetsbaar, sprak met zachte en hese stem en vertelde dat het goed was zo. Ik dacht aan zijn kinderen, die zich op enig moment een weg zouden moeten banen door zijn collecties. Jan Just sprak liefdevol over zijn dochters en zijn kleinkinderen.
Eigenlijk heb ik Jan Just pas laat leren kennen. Ik kende, zij het alleen van naam, zijn vader, de iconische repetitor Romeins recht en Oud-vaderlands recht, H.J. Witkam (1914-1982). Jan Just zelf ontmoette ik pas bij de onthulling van diens portret in de faculteitskamer van Geesteswetenschappen. Hij was er trots op dat hij daar kwam te hangen.
Jan Just Witkam werd geboren in Leiden als oudste in een gezin van vijf kinderen en groeide op aan het Rapenburg 21. Zijn moeder, Antoinetta Witkam, gaf Grieks en Latijn. Het huis en het werk van zijn ouders moeten hem in hoge mate hebben gevormd. Het ouderlijk huis omschreef hij eens als ‘een enorme hoeveelheid bedrukt papier die overal in huis stond opgetast, in en achter kasten, in ongebruikte kamers, in donkere gangetjes, zelfs op vlieringen, in kasten, achter kasten, tussen muren en betegeling, en dat in hoeveelheden die nooit op leken te raken.’
Tussen 1964 en 1972 studeerde hij Arabisch, Perzisch en geschiedenis van het Midden-Oosten in Leiden. Op 11 november 1974 trad hij in dienst van de universiteit, bij de afdeling Oosterse Handschriften. Een jaar later werd hij een uitzonderlijk actieve conservator Oosterse en Midden-Oosterse collecties. Op zoek naar boeken en handschriften reisde hij de wereld af. Hij verwierf ze voor de Universiteitsbibliotheek Leiden en, als de middelen ontbraken, voor zijn eigen collecties. Zo wees hij in ons gesprek op de eerste druk van een grammatica van het Arabisch, Granada 1505 (‘die heeft de UB nog niet’).
Eervolle titel
In 1992 ontving hij vanwege zijn uitzonderlijke verdiensten op het terrein van de ontsluiting, conservering en wetenschappelijke beschikbaarstelling van de Oosterse collectie de benoeming tot Interpres Legati Warneriani, een eervolle titel die vanwege het Legatum Warnerianum aan zijn conservatorschap werd gekoppeld. Dat was uitzonderlijk, want deze benoeming werd in de regel alleen gecombineerd met het hoogleraarschap. Dat zou hij tien jaar later worden, in 2001.
Van enorme betekenis is zijn inventaris van de Leidse Oosterse handschriften, dé manier om aandacht te vestigen op teksten die tot dan toe weinig belangstelling hadden gekregen. Het gaat in totaal om ongeveer 26.000 stukken. Die inventaris, waaraan hij zeventien jaar heeft gewerkt en die uit vijfentwintig delen bestaat, is tot op de dag van vandaag essentieel voor wetenschappers, promovendi en studenten van over de hele wereld. Hij was trots op zijn werk. In ons laatste gesprek zei hij meermaals, bijna fluisterend, dat er bij zijn aantreden precies één Berber-handschrift in de collectie aanwezig was. Bij zijn vertrek waren dat er honderdvijftig.
In 2005 ging hij met deeltijdontslag, eerder dan op grond van zijn leeftijd noodzakelijk was. Zijn vroegtijdige vertrek als conservator, waarbij hij alleen het hoogleraarschap nog aanhield, maakte hem gelukkig. Want juist daar zat een merkwaardige paradox. De universiteit had hem een bijna ongekende vrijheid gegeven: om te reizen, collecties op te bouwen, handschriften te verwerven en zijn eigen wetenschappelijke weg te gaan.
In een interview met Mare (‘Uit de gevangenis, de echte wereld in. Oud-conservator en “stamgast op Schiphol” Jan Just Witkam verlaat universiteit’, 9 december 2010) zag hij zijn vertrek toch vooral als een blessing in disguise: ‘Alsof je jaren in een gevangenis hebt gewoond, en daar zo gehecht aan bent geraakt, dat je niet meer ziet dat de deur niet op slot zit. Het was een opluchting om de échte wereld in te stappen, weg van dat spinnenweb van ambtelijke protocollen en verstikkende rituele omwegen.’
Toegangspoort
Dat citaat typeert hem. Want Jan Just was een man van die paradox: kritisch en mopperend over de universiteit, maar tegelijkertijd diep gehecht aan de vrijheid die zij hem had geboden. Hij kon royaal zijn in zijn oordeel en was een collega die tegen verzoeken die hem werden gedaan bijna altijd ‘ja’ zei. Voor menig collega, soms uit totaal andere vakgebieden, was hij een toegangspoort tot de Arabische wereld.
Maar hij was ook een hoogleraar die met zijn universiteit en de universiteitsbibliotheek een vaak moeizame verhouding onderhield. Vrienden maken was zeker niet altijd een prioriteit. Zo zei hij over zijn website islamicmanuscripts.info: ‘Het geeft me grote voldoening dat ik het met mijn volstrekt gebrekkige IT-kennis kennelijk beter doe dan sommige mensen die ervoor hebben doorgeleerd.’
De universiteit kende nogal wat ‘nare mensen’, zei hij. In ons laatste gesprek zei ik tegen hem: ‘Maar Jan Just, ik kan op jouw begrafenis niet alleen praten over nare mensen, en ik denk bovendien dat het wel zal meevallen. Als ik je nou vraag terug te kijken op je leven, wat moet dan de titel van mijn toespraakje zijn?’
Hij glimlachte, keek even voor zich uit en zei toen: ‘Onbegrensde mogelijkheden.’
Ik vond het een prachtige titel. Precies wat je iedere wetenschapper toewenst. Reizen, contacten opbouwen, aankopen doen, fondsen werven, nieuwe verzamelingen opbouwen: hij kon zijn wetenschappelijke leven in hoge mate zelf vormgeven. Zijn werk kende een vrijheid die nu nauwelijks meer voorstelbaar is.
Betere titel
Maar thuisgekomen vroeg ik me af hoe in die onbegrensde mogelijkheden dan dat beeld van die gevangenis en dat spinnenweb past. Kennelijk voelde hij mijn verwarring, want de volgende dag liet hij me weten dat hij een betere titel had gevonden: ‘Waar niets mocht, en alles kon.’ Dat moest het toch maar worden, vond hij. Een dag later overleed hij.
Ik moet bekennen dat ik Onbegrensde mogelijkheden inspirerender vind. Maar Waar niets mocht, en alles kon is misschien wel typerender voor Jan Just. Kritisch, mopperend, vaak dwars, maar tegelijkertijd intens gehecht aan die academische wereld en aan die universiteit waarin zoveel mogelijk was.
Ook vader Witkam fulmineerde tegen ‘de universitaire ambtenarij’. ‘Ga maar kijken op nr. 73’, zei hij op 30 juni 1965 in het toenmalige Algemeen Handelsblad. ‘Een socialistische troep! Ze dwingen daar alles in keurslijven, ze maken er een soort hbs of een mulo van. (…) Door de socialistische regelzucht komt het individu niet meer aan bod.’ Dat ‘schooltje verderop aan het Rapenburg’ pleegde vader Witkam de universiteit te noemen. Misschien werd bij zijn zoon Jan Just toen al het zaadje geplant van die ‘verstikkende’ wereld.
Staatsruif
Maar dan was er ook weer die andere kant: ‘Ik denk dat er nu geen mensen meer zijn die een baan hebben met de mogelijkheden zoals ik die had.’ Zijn vader had hem al eens gezegd dat zijn zoon zijn hele leven ‘uit de staatsruif had gegeten’. Jan Just schreef daarover: ‘Ik schaam mij daar niet voor, maar ik geef toe: het was wel heel gemakkelijk.’
In veel opzichten representeerde Jan Just Witkam een academische wereld die niet meer bestaat. Want ook hij voelde wel dat de wetenschap was veranderd, net zoals de eisen die de samenleving aan universiteiten stelt. ‘Ook ten goede hoor, sommige van die dingen kunnen nu niet meer, daar hoor je me ook niet over zeuren’, zei hij me. En ook hij wist wel dat de ziel van de universiteit er nog altijd is, die ziel van nieuwsgierigheid, eigenzinnigheid en geleerdheid.
Ik hoop maar dat Jan Just, waar hij nu ook is, die onbegrensde mogelijkheden zal blijven ervaren.
Carel Stolker was van 2013 tot 2021 rector magnificus van de Leidse universiteit. Hij sprak deze tekst uit bij de begrafenis van prof. dr. Jan Just Witkam