Op het dak van de fietsenstalling van het Gorlaeus staat een krat met daarin een aantal kleine aardappels, tomaatjes en een halve courgette. ‘Oogst blijkbaar’, zegt bioloog Marco Roos (70), die als gastonderzoeker verbonden is aan de universiteit en Naturalis Biodiversity Center. Hij wandelt naar het moestuingedeelte van de openbare daktuin op de stalling. ‘Aaah, daar zie ik rabarber!’
Roos wijst naar de witte steriel ogende blokken van de nieuwbouw. ‘Eigenlijk moet je op die daken ook tuinen aanleggen. Doe je dat, dan kan de temperatuur op een dak in de zomer zo’n 15 tot 20 graden lager uitvallen. Het is een natuurlijke airco. En in de winter zorgen planten en bodem juist voor een buffer tegen de kou.’
Maar de tuin op de fietsenstalling is tenminste iets. En het gaat om meer dan alleen koelte en schaduw, zegt hij. ‘Meer en diverser groen is belangrijk voor het welbevinden van mens, dier en plant. Als er op dit dak geen tuin is, zie je hier alleen maar zwarte dakbedekking die loeiheet wordt.’
Roos vindt dat de universiteit nog veel meer kan doen als het gaat om biodiversiteit en vergroening. Op het dak van het nieuwe sportcentrum, iets verderop, is geen plant te vinden omdat er te veel technische installaties op moesten komen.
Mislukt
‘Dat zie je vaker bij daken, dan is de ruimte nodig voor bijvoorbeeld zonnepanelen. Maar je kunt die panelen ook op poten zetten, zodat er ruimte onder komt voor plantjes. In Duitsland heb je panelenconstructies waar schapen onderdoor kunnen lopen. Wij willen dat niet. Bij ons moet het allemaal zo plat mogelijk.’
In zijn vorige week verschenen boek De natuurpositieve stad legt de bioloog uit hoe je binnen de bebouwde kom biodiversiteit kunt verbeteren. Zo worden steden niet alleen leefbaarder voor bewoners, maar ook plekken waar planten, bomen en dieren beter gedijen. In een straal van een paar honderd meter rond de nieuwe bètacampus zijn tal van voorbeelden te vinden van hoe dat goed gaat en waar dat is mislukt.
Roos stond aan de basis van de daktuin. ‘Ik coördineerde de minor biodiversity en heb toen een groep studenten laten nadenken over een daktuin op het Gorlaeus, en die is er gekomen.’
De beplanting wordt onderhouden door het zogeheten daktuindispuut. ‘Het enige waar niet aan is gedacht is een goede watervoorziening. Ik denk dat de leden heel vaak met emmers water de trappen op hebben moeten sjouwen. Maar er groeien en bloeien dingen.’
Naast een kruiden- en moestuin is er ook een ‘wild’ gedeelte. Aan de stalen balken van de stalling zijn draden opgehangen waaraan planten groeien. Roos wijst naar de hop die zich via een van de kabels omhoog slingert, een essentieel ingrediënt van bier. ‘Dit is een belangrijke voor studenten.’
Verderop spot hij een blauweregen. ‘Een plaag die architecten graag overal plaatsen. Het is een zwaar giftige plant uit China. De struik heeft heel grote bloemen maar voor de meeste insecten betekent-ie niets.’
Ook de door velen geliefde vlinderstruik, leidt tot een frons op Roos’ voorhoofd. ‘Ze worden aangeprezen voor de biodiversiteit maar zijn alleen voor een paar dagvlinders geschikt. Bijen hebben er bijvoorbeeld niets aan. Er zitten ook geen rupsen op, want die kiezen voor andere planten. Mensen willen graag vlinders, maar de rupsen spuiten ze dood.’
De wens naar fotogenieke bloemen is groot. ‘Een opgepimpte berm willen ze zien, maar die is als een glanzende tweedehandsauto waarvan de motor allerlei mankementen heeft. Het is begroeiing die helemaal niet past bij de natuurlijke situatie. Als het dan niet goed gaat met het groen, planten we toch gewoon bij, is het idee. Maar zo ontstaat er geen divers ecosysteem.’
Minder aandacht
Laat de planten vanzelf komen, betoogt hij, dan volgt de biodiversiteit vanzelf. ‘In Leiden zie je wel plekken waar dat gebeurt en dat zijn meestal de plekken waar de gemeente minder aandacht aan besteedt. Het gaat alleen om het totaalpakket. Je kunt niet zeggen: hier staan honderd soorten planten, dan is het goed. Er moet samenhang zijn.’
En dat is een kwestie van geduld. ‘Je moet het met de nodige rust beheren. Resultaat zie je pas na vijf tot tien jaar. Niemand wil daar op wachten. Ze denken: flikker er maar wat zaad in en dan we zien wel.’
De daktuin is deels betegeld en er staan picknicktafels op. In de spleten tussen de tegels groeien ook plantjes als nachtschade. Veel tuinbezitters vinden dat onkruid en halen het weg, treurt de bioloog. ‘Dat is heel jammer. Het zijn verbindingszones voor mieren, pissebedden en springstaartjes van de ene plek met groen naar de andere. Het oog wil ook wat, hoor je dan. Maar het facet-oog wil dat ook, en insecten houden van plantjes in richels.’
Roos loopt de trap van de stalling af en wandelt naar een gereconstrueerde vijver naast het Gorlaeus. ‘Hier is het goed aangepakt. Dit was een grote vierkanten betonnen bak, nu is er aarde aangebracht, groeien er allerlei planten en vliegen libellen rond.’ Hij spot een jonge boom. ‘Dit is een els die zelf is komen aanwaaien. Dát is wat je wil.’
Iets verderop ligt nog een vijver die nog geheel is omgeven met steen en beton. ‘Daar zie je de libellen niet.’ Een jonge populier is omhooggeschoten in een kleine ruimte tussen tegels. ‘Zelfs hier laten ze zich niet kisten.’
Bij de vele bouwwerkzaamheden voor de bètacampus is natuur verloren gegaan, vertelt de bioloog. ‘Bij het Sylviusgebouw lag een heel mooi slootje met rietorchis (een orchideesoort, red.) en korfslakjes. De trambaan, zoals het heet, zou in de oorspronkelijke plannen vijf meter worden verschoven voor het verkeer. Zo’n dijklichaampje ligt daar al anderhalve eeuw, zo’n habitat kun je niet zomaar verplaatsen. Ze hebben totaal geen benul hoe ze met bodemrust om moeten gaan. Het verschuiven is niet doorgegaan, maar alle herinrichtingsactiviteiten eisen toch hun tol.’
Schurken
Dat is de technocratie van de architectuur, stelt hij. ‘Ergens staan dan mooie oude populieren maar die moeten dan van die schurken weg omdat ze de zichtlijn verpesten. Als ik ergens uitslag van krijg, zijn het wel zichtlijnen. Architecten wekken vaak valse ecologische verwachtingen.’
Om die reden is hij kritisch op de zeventig meter hoge Trudo Toren in Eindhoven, waar bomen en planten aan de buitenkant van de gevel zijn geplaatst en dat door de bouwers het ‘allereerste verticale bos van Nederland’ wordt genoemd. Het ziet er groen uit, maar duurzaam is het niet, aldus de bioloog. ‘Het gaat om gekweekte bomen. Die trekken ze eerst uit de bodem en zeulen ze naar de toren. Vervolgens takelen bouwvakkers de bomen het gebouw op en daar eindigen ze in een betonnen pot. Alleen al het beton om al dat extra gewicht te dragen zorgt voor meer uitstoot. Daar komt nog bij dat bomen in potten niet voor CO₂-opslag in de bodem zorgen. De CO₂-balans van Trudo is tenminste de eerste eeuw van het bestaan negatief.
‘Biologisch bestaat er geen wezenlijk verschil tussen een plofkip en een boom in een gat, ergens in het beton, in de stad. Zo’n boom wordt met allerlei kunstgrepen in leven gehouden, staat niet in contact met de omgeving, en is alleen maar neergezet omdat-ie leuker is dan een parasol.
Prikkels
‘Mensen zien planten en bomen vooral als objecten, niet als levende organismen. Maar er komt toch steeds meer onderzoek waaruit blijkt dat planten communiceren, een geheugen hebben en met prikkels reageren op schade. Een els kan ook lijden, maar op een andere manier dan een plofkip, minder herkenbaar en invoelbaar.’
In hun ecologische plannen moeten gemeenten ‘vegetatievorming ondersteunen, en niet zomaar wat planten’, benadrukt hij. ‘Leiden heeft op papier heel mooie ideeën, maar worstelt met een hoge versteningsgraad en een klein oppervlak. Dan moet je bij alle nieuwbouw eigenlijk dakvegetatie eisen. Een soort Singelpark op het dak zou mooi zijn.’
Hij werpt een blik op de witte blokken van het Gorlaeus en verzucht: ‘Dit noemen ze onderhoudsvrij, maar geen levende ziel kan zich daarop vestigen. Daar moet echt nog wat aan gebeuren.’
Marco Roos, De natuurpositieve stad. Ruim baan voor stadsnatuur en volop biodiversiteit. Uitgeverij KNNV, € 32,95