‘Ik moet oppassen dat ik niet voortdurend in slaap val’, vertelt Willem van der Does (65). ‘Het komt voor dat ik hier achter mijn bureau ineens wakker word. Ik weet dan niet waar ik op dat moment ben. Die eerste seconde durf ik nauwelijks mijn ogen open te doen, want dan blijkt misschien dat ik bij een vergadering in slaap ben gevallen.’
De emeritus hoogleraar klinische psychologie zit in een stoel in zijn kantoor in het gebouw van de faculteit Sociale Wetenschappen dat net de nieuwe naam Agora heeft gekregen (zie kader). Van der Does kreeg in 2023 de diagnose ziekte van Parkinson, een degeneratieve aandoening van het centraal zenuwstelsel. ‘Een van de symptomen is dat je lichaam verstijft. Daarom zit ik nu ook niet helemaal lekker.’ In zijn linkerhand is soms een lichte trilling te zien.
‘Om de symptomen te onderdrukken, krijg ik pillen’, legt hij uit. ‘Die werken goed, maar slechts voor een paar uur. Ik word dus steeds wakker: slaap maar vier uur per nacht. De slaapdruk loopt zo op, dan ben je gewoon ineens out.’
Van der Does behandelde patiënten, deed onderzoek en gaf onderwijs. Hij werd landelijk bekend met een aantal populaire publieksboeken waarin hij zijn analyses koppelde aan de befaamde zeurcartoons van de in 2016 overleden tekenaar Peter van Straaten. Zo ben ik nu eenmaal! ging over persoonlijkheidsstoornissen, Met de wetenschap van nu over hoe bijvoorbeeld politici gebruikmaken van emoties om stemmen te winnen.
Van der Does werkte sinds 1990 in Leiden, eerst bij psychiatrie en sinds 1999 bij klinische psychologie. Eind december gaf hij zijn afscheidscollege, twee jaar eerder dan gepland.
‘De afdeling had een bezuinigingsopdracht en ik had Parkinson, dat kwam samen. Werken ging nog net, maar het werd eigenlijk te zwaar. Ik heb eieren voor mijn geld gekozen en ga me nu voornamelijk richten op reizen en schrijven.’
Wanneer merkte u dat er iets niet in orde was?
‘Ik was aan het trainen voor de Leiden marathon. Mijn tijden werden steeds langzamer en ik kreeg een soort verkramping in mijn voet. Later kwamen daar trillende ledematen bij. De verdachte was Parkinson, maar de neuroloog zag het toen nog niet. Ik had een vitamine-B12-tekort en heb een tijdje gedacht dat ik daarmee wegkwam.
‘Een jaar later is alsnog Parkinson vastgesteld. Dan ga je aan de pillen en is er vrijwel meteen een behoorlijke verbetering. Je kunt eigenlijk weer normaal functioneren. Alleen is het pure symptoombestrijding. Uiteindelijk ga je downhill, maar het tempo is variabel. Je kunt jaren op een soort plateau zitten. Als dit het is, kan ik er prima mee leven.’
Helpt uw ervaring als psycholoog u om met de ziekte om te gaan?
‘In ieder geval om het te relativeren. Het is heel vervelend dat dit me overkomt, maar als het op mijn veertigste was gebeurd had het bijvoorbeeld ook impact op mijn carrièrekansen gehad. Ik prijs me gelukkig dat dit me relatief laat is overkomen. Er zijn ergere dingen.’
Hoe bent u in dit vakgebied terechtgekomen?
‘Ik kom uit een artsengezin, mijn grootvader was al huisarts. Ik dacht dat ik dat ook zou worden, maar werd uitgeloot voor geneeskunde. Toen ben ik psychologie in Leiden gaan doen, in 1978. Maar het was meer een studententijd dan studietijd.’
Hoezo?
‘De studie was gênant makkelijk. Je kon eindeloos tentamens herkansen. Per ongeluk haalde je zo’n examen ook nog wel eens. Slecht studeren had nauwelijks consequenties. Na mijn kandidaats overviel me een lichte paniek: ik had niet het gevoel dat ik iets wist of kon. Mijn doctoraal heb ik serieuzer aangepakt.
‘Ik was lid van Minerva. Je jaarclub wordt een soort familie, inclusief de oom die je eigenlijk niet zo aanstaat maar er nu eenmaal ook bijhoort. Sommige jaarclubgenoten zijn nog steeds mijn beste vrienden.
‘Het valt mij op dat ontgroeningen nu harder zijn dan dat ik ooit heb meegemaakt. Je bouwde een indrukwekkend slaaptekort op maar het was totaal niet bedreigend. Er werd nooit geslagen of wat dan ook. De andere verenigingen zijn een beetje op het corps gaan lijken. Dan ontstaat er een soort wedloop: wie is de echte? Zijn we wel zuur genoeg?’
Wat vond u het interessantst aan de studie?
‘Je had in die tijd een anti-psychiatrie-beweging die zich verzette tegen het gebruik van pillen en dwangmiddelen. Dat trok me wel, maar ik besefte niet dat die hype ook wel weer voorbij zou gaan. Inmiddels denk ik heel anders over behandelingen met medicijnen.
‘Als ik terugkijk, heb ik eigenlijk te veel verschillende dingen gedaan. In de jaren tachtig was hypnose populair. Ik volgde een cursus tijdens mijn stage op de vakgroep psychiatrie en het werd mijn afstudeeronderwerp en eerste baan: pijnbestrijding bij ernstige brandwonden. In die tijd begon ik aan een promotieonderzoek naar schizofrenie. Later heb ik me beziggehouden met angststoornissen, depressie en het post-traumatisch stresssyndroom (PTSS).’
Waar bent u trots op?
‘We hebben een therapie voor relatief eenvoudige PTSS-klachten getest op een heel kwetsbare groep met ingewikkelde trauma’s. Het gaat om mensen die vaak juist buitengesloten worden van trials omdat ze zo crisisgevoelig zijn.
‘Het vergt veel training en tact om deze patiënten naar therapie te “duwen” en te ondersteunen. Maar dan zie je soms in één zitting al behoorlijke verbetering. We konden aantonen dat de therapie sterke positieve effecten had op die kwetsbare groep.
‘De behandeling is geïmplementeerd in het Leids Universitair Behandel- en Expertise Centrum (LUBEC): de academische poli waar we patiënten behandelen, maar ook studenten opleiden. De komst van LUBEC is de belangrijkste ontwikkeling in het psychologie-instituut geweest.
‘Ik ben tevreden over dat LUBEC soort van gelukt is. Ja, ik zeg soort van, want je weet in de huidige tijden van bezuinigingen niet of ergens weer de stekker uit wordt getrokken.’
‘Je denkt zo de politiek tevreden te stellen, maar dat is niet zo. Iemand maakte de vergelijking met de het lied “Dodenrit” van Drs. P.: je gooit één kind van de slee om de honger van de wolven te stillen en zo de rest van het gezin te redden. Maar nee, het volgende kind gaat er ook aan, enzovoort.’
Van welke behandelmethodes in de psychiatrie verwacht u het meest?
‘Verder heb ik in mijn afscheidsrede betoogd dat de huidige psychologische behandelingen enigszins worden ondergewaardeerd. De effecten zijn lang niet slecht en het is onwaarschijnlijk dat er een snelle doorbraak komt naar iets veel effectievers.’
‘Het eerste boek was een uit de hand gelopen eerstejaarscollege over persoonlijkheidsstoornissen. Die zijn niet echt zeldzaam – zo’n tien procent van de bevolking voldoet aan de diagnostische criteria – maar zijn toch moeilijk te herkennen. Voor de meeste eerstejaars is het een ver-van-bed-show. De extreme casus uit hun leerboek komen ze niet tegen. Het viel me op dat de tekeningen van Peter van Straaten een alledaagse en wat mildere versie presenteren van de tien persoonlijkheidsstoornissen die ik beschreef in colleges. Ik begon de cartoons te gebruiken om dat inzichtelijk te maken.
‘De studenten vonden het amusant, niet meer dan dat. Maar toen ik een presentatie op de open dag voor aankomende studenten én hun ouders gaf, lagen alle vaders en moeders dubbel. Ik besefte: dit moet ik snel opschrijven voordat iemand anders het doet. In 2004 verscheen Zo ben ik nu eenmaal! waarvan er inmiddels meer dan 125.000 zijn verkocht. Ook voor Van Straaten was het zijn bestverkochte boek.’
‘Met de wetenschap van nu (2010) is voortgekomen uit mijn columns in Mare. Mijn aanpak was elke keer een klassiek experiment of verschijnsel uit de psychologie toe te lichten aan de hand van een actueel voorbeeld. Liefst iets wat in de universiteit gebeurde, maar daar ben je op den duur doorheen. Ik ging me richten op de landelijke politiek en legde aan de hand van een voorbeeld uit hoe cognitieve dissonantie werkt.
‘Ik wil nog minimaal één keer mijn Peter van Straaten-trucje doen. Hij heeft ongeveer honderd tekeningen nagelaten waarin hij psychologensessies verbeeldt: cliënt tegenover behandelaar en één regel eronder. Het lijkt me niet zo moeilijk om daar een tekst omheen te schrijven over wat psychotherapie is en wat je ervan kunt verwachten.’
Welke persoonlijkheidsstoornis is het meest van toepassing op uzelf?
Het faculteitsgebouw van Sociale Wetenschappen heeft de nieuwe naam ‘Agora’ gekregen. De voormalig naamgever was de Leidse lakenhandelaar Pieter de la Court, die bleek echter ook betrokken te zijn bij kolonialisme en slavenhandel.
De naamsverandering is ‘mesjogge’, vindt Van der Does. ‘Je beoordeelt dan iemand die in de zeventiende eeuw leefde aan de hand van hedendaagse normen.’
De nieuwe naam is niet erg gelukkig gekozen, want ook de Grieken hadden slaven. Van der Does wijst erop dat GeenStijl een spottend stukje heeft geschreven over de nieuwe naam. ‘De agora was in eerste instantie een ontmoetings- en vergaderplaats voor de vrije burgers (mannen, want het werk werd in de regel door de vrouwen en de slaven gedaan)’, citeert GeenStijl Wikipedia.
‘Het is een blunder’, constateert Van der Does. ‘De Engelstalige Wikipedia-pagina omschrijft “agora” als de plek waar free-born citizens would gather (…) to hear statements of the ruling king or council. Dat lijkt op hoe de universiteit tegenwoordig steeds meer wordt bestuurd, dus in die zin een passende naamswijziging.’