Columns & opinie
Hoe lame ook, ik wilde mee naar de werkgroep verbintenissenrecht
Mijn huisgenoot keek me aan met uitpuilende ogen alsof ik hem een wereldschokkende bekentenis had gedaan en onze vriendschap nu voorgoed was verloren.
Henrik Laban
donderdag 8 oktober 2026

Om de verlammende melancholie van gevallen herfstbladeren te bestrijden, had ik het plan opgevat eens een werkgroep verbintenissenrecht bij te wonen. Niets helpt beter tegen najaarsspleen dan de onverbiddelijke nuchterheid van juridische afspraakkunde, was mijn gedachte. Misschien kon ik Marco Verhoef wel aansprakelijk houden voor mijn sombere buien in het laat seizoen.

Ik plofte neer op de afdankbank in onze onberispelijke woonkamer en tikte mijn huisgenoot Leon, een vlijtige rechtenstudent van corporaal kaliber, op zijn schouder om hem mijn wens voor te leggen.

Zijn bloedrode Wolters Kluwer met mensenschimmen op de voorkant prijkte al een tijdje op zijn bureau, lijvig, betast en met die heerlijk concrete titel ‘Verbintenissenrecht algemeen’.

De anonieme, schokkende contouren van discussiërende juristen op de kaft, wier hele geest binnen het menselijke domein vakkundig was afgericht op kloppende patronen, logica en regelingen, fascineerden me mateloos.

Waarom die schichtigheid afbeelden op zo’n onweerlegbaar wetboek? Zouden zelfs die dikgedrukte professornamen met hun plechtige titels er dan niet in slagen een sluitend systeem te formuleren en uiteindelijk moeten toegeven aan de stilzwijgende autocratie van het t boeval die achter alle dingen schuilgaat? Is elke overeenkomst uiteindelijk een schaduw in beweging?

Leon keek me aan met uitpuilende ogen alsof ik hem een wereldschokkende bekentenis had gedaan en onze vriendschap nu voorgoed was verloren.

‘Gast, VBR is zo lame dat studenten pluspunten krijgen als ze überhaupt komen opdagen. Waarom wil je daar vrijwillig heen?’

‘Ik bleef roerloos zitten, als een blad dat weigert zijn tak te verlaten’

Ik zei hem dat het presocratische probleem van zijn en worden weliswaar door de continentale filosofie ontmaskerd is als een valse dichotomie ter rechtvaardiging van een christelijke wereldorde, maar de vergankelijkheid van een herfstblad opnieuw het menselijk eeuwigheidsverlangen bevraagt en er volgens mij geen beter surrogaat is voor het verongelukte essentialisme dan het verbintenissenrecht.

Leons ogen waren gedurende mijn relaas terug in hun kassen gekropen en hadden momenteel last van haperende luiken. Hij rekte zich uit als een zeester met spierpijn en gaf me met zijn linkerarm die net langs mijn nek gleed kreunend een paar klopjes op mijn achterhoofd.
‘Alright, wijsgier. Je kunt morgenochtend met me mee als je wilt. Laten we om half elf afspreken bij de fietsenstalling’.

Of ik die nacht kon slapen? Nauwelijks. Ik was druk in de weer met de voorgeschreven vakliteratuur van mijn aanstaande debuut in de rechtsgeleerdheid. Een overeenkomst bleek geen verbintenis te zijn. De mens beschikte over een vrije wil. Er bestond zoiets als billijkheid. En terwijl mijn filosofische scholing tot beroepstwijfelaar door het onloochenbare wettenstelsel van het praktische leven werd vermorzeld, gingen de klagende regenvlagen aan het vensterraam die nacht volkomen aan mij voorbij. Ik was gelukkig.

Leon en ik fietsten de ochtend daarop stipt om half elf naar onze werkgroep verbintenissenrecht. Pacta sunt servanda. In een zaaltje stond een man van begin dertig met zijn laptop te hannesen. Hij had een lichtblauw overhemd aan, een blond vlassnorretje, een randloze bril en mompelde ‘putain’ met te veel souplesse. Nadat we vijf minuten naar deze bedenkelijke openingsact hadden gekeken, kregen we ongevraagd de inbox van onze docent op het diascherm te zien. Hij klikte op een mailtje met de titel ‘Kahootje week 4!’ en zocht naarstig naar de link.

Ondertussen las ik per ongeluk de volgende aanbeveling, gericht aan het hele docententeam: ‘…als je deze werkgroep voor 12 uur geeft, is het echt leuk om een warming-up te doen op het kahootdeuntje. Vraag je studs naast hun stoel te gaan staan en verzin een dansje!’
Ik zuchtte diep.

Zou hij werkelijk… Nee toch?

‘Oké, lieve allemaal, ga even naast je stoel staan!’

Ja dus. Ik bleef roerloos zitten, als een blad dat weigert zijn tak te verlaten, en hield mezelf hypocriet vast aan de slotregels van een herfstgedicht: ‘En pijndoend, schrijnend dromen / weg van mijzelf te komen / En eigenlijk zo wanhopend’.


Henrik Laban studeert filosofie