Cultuur
De derde prijs: ‘Viergestreept flagiolet’ van Lenna Pronk
Met 'Viergestreept Flagiolet' wint filosofiestudent Lenna Pronk de derde prijs in de Mare-Kooyker-Kerstverhalenwedstrijd. De jury roemde de spanningsopbouw in het verhaal, waarin een afgewezen violist geplaagd wordt door een onbekende geluid.
Redactie
donderdag 14 december 2023

De gaten tussen de gordijnen trekken lichtstreepjes over het plafond, worden af en toe onderbroken. Ik hoor de mensen al voordat ik hun schaduwen zie: optrekkende auto’s, dronken geschreeuw dat in gelach verandert. Donderdagnacht viel een meisje voor de deur van haar brommer. Het klonk alsof er een hond aan het bevallen was. Marta sliep er gewoon doorheen, diagonaal op het matras met de knik van haar elleboog over haar neus. Ze ronkte. Dat doet ze altijd als ze slaapt – ik zal het geen snurken noemen. Het is een achtergrondruis die ik met een rust ben gaan verwarren.

In de verte schalt vreemdtalig gezang uit een auto. ‘Aso’s,’ hoor ik mezelf mompelen, en ze bromt iets terug. Even denk ik dat ze wakker wordt, iets zal zeggen, zich misschien omdraait en haar hoofd op mijn borst nestelt. Met mijn wijsvinger kriebel ik het kuiltje van haar nek, draai ik om de kleine krulletjes daar in de buurt. Ze slaat met een slappe hand mijn vinger weg.

Het gejank van de auto ebt weg. Ik probeer mijn inademingen met die van haar te harmoniseren. Ondanks haar slaap ademt ze onregelmatig, en te snel; ik raak buiten adem. Mijn vingers lopen over het matras naar haar toe, vinden huid, blijven even rusten op haar onderrug. Ik wil de warmte voelen op mijn vingertoppen terwijl ik haar ademhaling inhaal. De trillingen van de haartjes als kleine snaren. Iemand schreeuwt iets in het Duits.
 
We wisten dat we weinig kans maakten. Marta had niet eens auditie willen doen. ‘Ik weet niet of ik het aankan,’ had ze gezegd. Ze zat tot haar ellebogen in het sop toen ik het voorstelde. Haar reactie ergerde me. Het was alsof ze nu al niet meer durfde te dromen. Er viel een stilte terwijl ik een bord afdroogde en in het kastje boven haar hoofd legde. ‘Vooral de afwijzing,’ zei ze toen, ‘Ik weet niet of ik de afwijzing aankan.’ Ik had de theedoek op het aanrecht gelegd, en was achter haar gaan staan. In het sop vonden mijn handen de hare. Daar kneep ik zachtjes in terwijl ik zei dat we daar dan vanuit moesten gaan. ‘Dan hebben we niks meer te verliezen.’ Met de warmte van haar onderrug op mijn vingertoppen lijkt het -                      Iekk.     Een schel geluid spreidt als een vlek door mijn gedachten. Marta hoort het niet. Marta slaapt.

Misschien dat ik met mezelf had kunnen leven als ik daadwerkelijk gefaald had

Een paar dagen later had ik haar gevraagd wat ze zou spelen. Ze zat op het tapijt, omringd door partituren en keek me woest aan. Of ze eruitzag alsof ze dat al wist. Het zou waarschijnlijk een voordrachtstuk worden, Souvenir d’un lieu cher ofzo, iets wat ze al beheerste. ‘Is dat niet te simpel?’ vroeg ik, waarop ze me secondelang aanstaarde, zwijgend met ogen waarover langzaam een vliesje vormde. Ze raapte haar viool van de grond en begon de eerste noten van Souvenir te                   Iekk      spelen. Ik slikte even toen ze haar viool weer neerlegde. Ik probeerde haar ogen nog te zoeken, maar ze keken niet meer terug. ‘Ja,’ zei ik. ‘Die.’ Als een monnik bleef ze op dat tapijt zitten.
 
Iekk      Van buiten?      Iekk                  Iekk      Viergestreept octaaf, onmenselijke toonhoogte. Iekk      Ik laat de deken van me afglijden en zet mijn voeten op het laminaat. Marta’s vingers zoeken lichaamswarmte – twee lichamen die zo aan elkaars aanwezigheid gewend zijn dat elke scheiding met een amputatie wordt vergist. Zonder dekens                       Iekk      voel ik de winter in de slaapkamer. Ik loop rondjes en zoek een aanwijzing op het plafond. De stapel schone was op de bureaustoel schuif ik weg. Als ik op de stoel ga staan moet ik snel mijn handen op het plafond zetten om niet weg te rollen over de             Iekk      aflopende vloer. Het brandalarm geeft een korte, sputterende pieptoon als ik hem losdraai. Dieper dan het geluid dat ik eerder hoorde.

Marta vroeg me niet wat ik zou spelen, we wisten het beiden al. Het moest Bottesini zijn. Ik moest me onderscheiden, niet met zware klachten de ondergrond leggen waarboven de violisten zich konden optrekken, maar me een solist tonen. ‘Het is eigenlijk fatphobic,’ had Marta gezegd. ‘Niemand wil de grotere instrumenten op de voorgrond zetten.’  We hadden afgesproken dat het niet uitmaakte, dat we toch al hadden verloren, dus ik probeerde me geen zorgen te maken over de snelle trillingen van mijn vingers, de fractie van een seconde waarin mijn vinger de snaar niet moest indrukken, maar voorzichtig aan moest raken. Over de andere tijd waarin ik moest gaan leven om de hoge tonen op te wekken. Twee weken voor de auditie kneep ze in mijn schouder. Mijn vinger bleef te lang op de snaar rusten. Een bas vulde de ruimte tussen onze lichamen. ‘Het is maar München hè, geen Berlijn.’ Ik kon altijd nog iets-                   Ieeekkk             anders spelen. Ik kijk naar de batterijen in mijn hand. De piep is te hoog voor iets natuurlijks, te onregelmatig voor een apparaat.             Iekk      Het komt van boven.
 
Met mijn vingers loop ik over het plafond, tast ik de houten planken af. Ik trek de bureaustoel vooruit, de wieltjes piepen twee octaven lager. Ongeveer een meter naast het            Iekk      brandalarm stuit ik op een kuiltje zo diep als een half vingertopje, dat ik eerder voor een houtnerf had aangezien. Als ik een rukje geef komt een stuk van het plafond met zo’n vaart los dat ik bijna val.  Het luikt vouwt open tot een trap.

Misschien dat ik met mezelf had kunnen leven als ik daadwerkelijk gefaald had. Als ik, na een slechte nacht mijn bladmuziek was vergeten, of heel de auditie. Als ik, ondanks mijn maandenlange oefenen niet in staat was geweest in die vertraagde tijd te leven, niet in momenten of in seconden maar in fracties. Als ik te langzaam was geweest, mijn vingers te traag en statisch van de snaren- Iekk      had getrokken. Maar ik speelde nog nooit zo goed.

In die fantasie was ik altijd de nobele minnaar die afzag van zijn droom

Ik staar naar het zwarte gat in de donkere kamer. Het nog donkere in het donker. De piep die gaten vreet in mijn herinneringen is sinds het openen van het luik alleen maar luider geworden. Drie dagen na onze audities nam ik haar telefoon op. Of ze met Marta spraken. Ze had een plekje gekregen. Verliezers kregen mail.

Nooit eerder deed ik zo mijn best me een beeld te vormen van de indeling van deze woning. De vlizotrap leidt een kruipruimte in van onafgewerkt beton, waar ik me op handen en voeten doorheen kan bewegen. Terwijl ik de ruimte inkruip, vraag ik me af of ik me       Iekk      nog om zal kunnen draaien als het doodloopt. Ik klik de zaklamp van mijn telefoon aan. Vier maanden geleden vertrokken we naar München. De gedachte dat één van ons het zou worden was wel in me opgekomen, maar in die fantasie was ik altijd de nobele minnaar die afzag van zijn droom. Nu kon ik niet meer terug; ik had haar aangemoedigd. Mijn hoofd schraapt tegen het beton boven me, dat als een zwaar lichaam op me                       Iekk      drukt. Ik ga op mijn buik liggen met mijn telefoon in mijn mond en werk me, al tijgerend, naar voren. Stukjes beton laten los, scherpe steentjes prikken in mijn handpalmen. Ik zou les gaan geven; contrabas, cello en piano. Maar uiteindelijk werd het een jazzcafé op loopafstand van ons appartement. Ik steun op mijn onderarmen en trek me naar voren. Als ik vrij ben, speelt Marta, als ik werk komt ze soms langs met het orkest. Ze drinken whisky of rode wijn en lachen    Ieeekk      opzichtig om hun eigen grappen. Ze kijken minachtend naar de jazzspelers – nee, artiesten – die lukraak aan snaren trekken. De piep lijkt steeds dichterbij te komen, steeds luider en hoger te worden. Alsof het me aan hoort komen. Het gruis blijft plakken tussen mijn vingers en voelt als koude sneeuw. Ik adem stof en probeer te hoesten, maar de ruimte sluit zich als een spier om mijn middenrif.     Iekk     

Als ik mijn armen uitstrek, raak ik een muur waarin ik bakstenen uit kan maken. Mijn vingers volgen de groeven van het cement tussen de stenen naar beneden. Uit mijn telefoon straalt een witte kring van licht die ik over mijn gezichtsveld beweeg. Soms kijk ik van achter de bar naar het stuiteren van de zwarte krullen op haar hoofd terwijl ze lacht. Ik denk aan haar warme lichaam nu, haar vingers die me slapend zoeken onder dat dekbed.  Aan de onderkant van het muurtje ademt iets rozigs. Het piept. Ik neem het trillende beestje, ergens tussen muis en embryo, in mijn handen. Het is warm en glad als haar rug. Weerloos blijft het in mijn handen liggen. Het piepen begint te klapperen als zeilen in de wind, wordt dan een lange toon als ik mijn handen tegen elkaar druk. Viergestreept octaaf, onnatuurlijk hoog geluid, voor dierlijke wezens niet te produceren. De band trekt zich strak om mijn middel. Het piepen neemt de vorm aan van een witte waas over mijn netvlies, een geluid dat zo regelmatig aanhoudt dat het een stilte is.

Mare-Kooyker Kerstverhalenwedstrijd 2023

Met dit verhaal won Lenna Pronk de derde prijs van de Mare-Kooyker Kerstverhalenwedstrijd 2023.

Uit het juryrapport: 'In ‘Viergestreept flagiolet’ krast een – Ieeekkk – schelle pieptoon door merg en been. Waar komt het geluid vandaan? Of zit het alleen in het hoofd van de ietwat rancuneuze musicus die in tegenstelling tot zijn/haar geliefde níet is toegelaten tot het conservatorium? Filosofiestudent Lenna Pronk bouwt de spanning in haar verhaal glorieus op en wint daarmee de derde prijs (en €50 aan boekenbonnen).'

Lees ook de nummer twee ('De twinkeling' door Mathijs de Jong) en het winnende verhaal ('De ontheemde' door Wytze Mansvelder).