Studentenleven
Bijbaan: ‘Soms bereik je met jazz een soort high’
Age Ritsema van Eck (23, culturele antropologie & ontwikkelingssociologie)
Tirza de Graaf
donderdag 5 maart 2026
Foto Marc de Haan

Kun je rondkomen van jazz?
‘Met optredens gaat dat niet. Ik speel soms bij een jazzcafé drie keer drie kwartier op een avond. Je krijgt een bedrag voor de gehele band, die soms wel uit vijf personen bestaat. Daar houd ik iets meer dan twintig euro aan over.

‘Ik ken heel goede spelers, maar zij hebben ook gewoon een baan. Voor velen gaat het om de ontspanning. Dat is juist wel goed, want als je er niet van hoeft te leven dan doe je het omdat je het echt leuk vindt en kun je je ook richten op je eigen smaak.’ 

Wanneer ben je begonnen met trompet spelen? 
‘Toen ik tien jaar oud was namen mijn ouders mij mee naar de oom van mijn vader. Hij speelt trompet, en ik wilde dat graag proberen. Ik vond het megaleuk en was ook best fanatiek.

‘Er volgden vele lessen, maar het plezier doofde langzaam uit. Ik raakte gedemotiveerd, omdat mijn leeftijdsgenoten totaal niet bezig waren met muziek, en bovendien waren mijn lessen niet heel uitdagend. 

‘Mijn moeder hielp me om er toch mee bezig te blijven. Zij vroeg elke dag of ik al wel een half uurtje had geoefend.

‘Rond mijn vijftiende keerde mijn enthousiasme weer terug, vanaf toen begon ik te spelen in bandjes. Na het gymnasium probeerde ik het conservatorium, maar dat bleek niet passend bij mijn verwachtingen. Nu speel ik trompet omdat ik het leuk vind, ik oefen met plezier twee of drie uur per dag.’ 

‘Je speelt op je oren, dus je kunt het alleen maar leren door die te trainen’

‘Ik ben met jazz opgegroeid. Mijn vader is gek op Miles Davis, Louis Armstrong en Ella Fitzgerald en mijn opa was dat ook. Ik heb een aantal cd’s van hem geërfd, en sommige daarvan zijn nu mijn favoriet, echt leuk.’ 

Is de jazz-scene een apart wereldje? 
‘Ja, maar ik voel me er hartstikke in thuis. Als kennissen spelen, doe ik vaak mee. Daar leer ik weer mensen kennen met wie ik kan jammen. Dan kom je erachter of je samen lekker kan spelen.

‘Er zijn nummers die alle jazzmuzikanten kennen. Je gaat dan naar een jazzcafé, en je weet dan nog niet met wie, maar je weet al wel welke nummers je gaat spelen. Bijvoorbeeld “There will never be another you” van Chet Baker of “All the things you are” van Ella Fitzgerald.’ 

Wat is er zo gaaf aan de muziek?
‘Het maakt niet uit met wie je speelt, het verbindt enorm. Bij jazz kun je bij iemand horen waar diegene naar geluisterd heeft. Je speelt op je oren, dus je kunt het alleen maar leren door je oren te trainen en vaak te spelen en te luisteren.

‘Daarnaast is er veel ruimte voor improvisatie. Je hebt dan, binnen een bepaald akkoordenschema, de vrijheid om te spelen wat je wilt. Als dat goed gaat, zit er in die momenten magie. Soms kom je op een punt dat je helemaal één wordt met jezelf en de muziek, echt een soort high. 

‘Maar dat maak ik weinig mee, pas als alle muzikanten op hetzelfde moment in dezelfde flow zitten, kan je zo’n punt bereiken.’