Veel Leidse studenten gedroegen zich in de jaren dertig van negentiende eeuw alsof de wet voor hen niet bestond, schrijft neerlandicus Rick Honings in zijn biografie God, gezin en vaderland van predikant, dichter en schrijver Nicolaas Beets (1814-1903) die vrijdag verscheen. ‘Vandalisme, drankzucht en losbandigheid waren aan de orde van de dag. ’s Nachts liepen velen van hen dronken over straat.
‘Ook hadden ze een vrije seksuele moraal. Het bezoeken van prostituees was volkomen geaccepteerd, al hingen ze dit niet aan de grote klok. De “Ruïne”, die ontstaan was door de buskruitramp van 12 januari 1807, deed in Beets’ tijd dienst als tippelzone.’
In deze losbandige wereld ging Nicolas Beets in 1833 theologie studeren en groeide hij uit tot een nationaal icoon. ‘Hij was echt ongelooflijk beroemd’, zegt Honings, die Scaliger-hoogleraar aan het Leiden University Centre for the Arts in Society is.
‘In 1892 werd er een enquête gehouden met de vraag: wat is het beste boek van de negentiende eeuw? Beets’ Camera Obscura kwam als winnaar uit de bus, terwijl het boek dan al meer dan vijftig jaar oud is. Beets was veel populairder dan Multatuli.’
Ook zijn gedichten en preken waren geliefd. ‘Die publiceerde hij onder de titel Stichtelijke Uren, en die bundels werden veel gelezen. Daar verdiende hij aanvankelijk meer geld mee dan met de uitgaven van de Camera Obscura.’
Schoolverlater
De zes jaar dat hij in Leiden studeerde, waren bepalend voor zijn leven. Hij werd beroemd, ontmoette zijn eerste vrouw en ervoer een religieus ontwaken.
Het lukte hem overigens maar net om te gaan studeren. ‘Beets’ vader was apotheker in Haarlem en hij wilde dat zijn zoon de zaak zou overnemen. Er was niet genoeg geld om een studie te betalen. Uiteindelijk kreeg hij een beurs van de kerk en toestemming van zijn vader.’
Beets had de Latijnse school niet voltooid en moest eerst toelatingsexamens doen om toegelaten te worden tot de universiteit. ‘Een van de dingen waar ik achter ben gekomen is dat zijn vader hem van de Latijnse school haalde.’
Dat hij de middelbare school niet afrondde, schreef Beets nooit op. ‘En hij noteerde haast alles (zie kader). Ik denk dat hij zich er toch een beetje voor schaamde.’
In Leiden werd hij lid van het studentencorps. Hij beschreef later de ‘groenen’ als schuwe insecten die over de academiestad uitzwermden. Zijn eigen ontgroening viel mee. Hij moest allerlei ‘zotheden’ doen, maar de studenten dwongen hem niet tot ‘laagheden’. Tijdens de inwijdingsceremonie om acht uur ’s ochtends probeerden de ouderejaars de feuten er op alle manieren van te overtuigen dat zij ‘stommelingen waren, onwaardig in het Studentencorps te worden opgenomen’. Uiteindelijk werden ze toch maar uit genade tot student bevorderd.
Beets ging vervolgens helemaal op in het studentenleven. ‘Hij was vaak op de sociëteit te vinden waar de champagne rijkelijk vloeide.’ In de latere uitgave van zijn studentendagboek is een aantal fragmenten van deze ‘biljartpartijen’ weggelaten. ‘Hij deed zich braver voor dan hij eigenlijk was.’
In Leiden maakte Beets in korte tijd naam als dichter. Hij werd geïnspireerd door Lord Byron, een haast goddeloze en wellustige romantische dichter. Beets mat zich een pose aan van de gekwelde dichter die in zijn werk mensen oproept: troost mij. Meisjes vonden dat interessant, schreef Beets in zijn dagboek. Hij was ook echt bezig met zijn imago.
kniebroek en degen
Maar plots veranderde Beets tijdens zijn studietijd. Hij las in 1836 een evangelisch werk The Anxious Enquirer After Salvation van John Angell James en was als door de bliksem getroffen door de tekst. ‘Hij had het gevoel helemaal verkeerd bezig te zijn. Sindsdien stelde hij zijn leven in dienst van het evangelie.’
Beets promoveerde in 1839 in Leiden. Een week na de verdediging bood hij ‘gekleed in rok, met kniebroek en een degen op zijn zijde’ in Den Haag zoals dat toen gebruikelijk was zijn proefschrift aan koning Willem I aan. Beets had een brandend verlangen om succesvol te zijn en was gecharmeerd van de adel. ‘In zijn dichtstuk Guy de Vlaming uit 1836 deed hij alsof hij afstamde van het adellijke geslacht Hoogerbeets. Zijn vrienden, onder andere Johannes Kneppelhout (alias ‘Klikspaan’), waren daar kritisch over.’
De schrijver wilde ook graag met een vrouw van adel trouwen en dat lukte hem ook. In Leiden leerde hij de zeventienjarige Aleide van Foreest kennen. ‘Zij was van adel, en hij dacht: dit is mijn kans. Hij zal haar wel leuk hebben gevonden, maar haar achtergrond speelde een rol.’
Het werd een liefdevol huwelijk en toen Aleide in 1856 in het kraambed stierf, was dat een enorme klap. Later trouwde Beets met Aleides tien jaar jongere zus Jacoba. Beets schreef daarover dat toen hij haar voor het eerst ontmoette, ‘ze nog maar een kind van zeven jaar was geweest’.
tikje arrogant
Tijdens zijn studententijd begon hij ook aan het schrijven van de Camera Obscura. Een boek met schetsen en verhalen die hij in 1839 onder het pseudoniem Hildebrand publiceerde. ‘Hildebrand is een tikje arrogante Leidse student die met milde spot de burgerlijke omgeving beschouwt waar hij zelf uit afkomstig is. Hij toont de knulligheid en bekrompenheid van dat milieu waar alles vastligt.’
Het verhaal ‘De familie Stastok’ is een mooi voorbeeld. ‘Hildebrand arriveert op een donderdag bij die familie en dan kunnen ze niet in de achterkamer zitten, want op die dag wordt de kamer schoongemaakt. Er ontwikkelt zich een gesprek over wat de voordelen zijn van zitten in een achterkamer. Het is ook koud, maar de openhaard brandt niet. Tja, want pas vanaf 1 november steken we die aan.’
Opvallend was juist dat er in die jaren heel veel veranderde in Nederland. In politieke, culturele en in wetenschappelijke zin. ‘Het boek toont een wereld die er al heel snel niet meer was.’
Als student reisde Beets bijvoorbeeld nog met de trekschuit van Haarlem naar Leiden. Iets meer dan tien jaar later reed er een trein. De biografie is ook een cultuurgeschiedenis van de negentiende eeuw aan de hand van het leven van de schrijver.
Camera Obscura is een revolutionair boek, omdat Beets als een van de eersten in Nederland over zijn eigen tijd schreef. Dat was zeer ongebruikelijk. ‘Er werden vooral historische romans gepubliceerd.’
De Camera werd een gigantische hit, maar het zou bij één boek blijven. Beets was een man van de korte verhalen. ‘Hij heeft nooit een roman geschreven, dat kon hij helemaal niet.
‘Daarnaast werd hij dominee, eerst in Heemstede en later in Utrecht. De Camera Obscura is echt het werk van iemand die nog geen predikant is. Hij kon zich in die rol niet meer zo spottend uitlaten.’
dichten is mijn hart
Later zou hij nog wel vele gedichten, essays en preken schrijven. Hij vond poëzie ook veel belangrijker dan het boek. ‘“Mijn spelen is in mijn camera en in mijn dichten is mijn hart”, schreef hij daarover.’
Beets was zo populair omdat hij vertegenwoordigde hoe veel Nederlanders zichzelf zagen: gematigd, tolerant, vaderlandslievend, religieus, huiselijk en Oranjegezind. In zijn jonge jaren was hij behoorlijk orthodox protestants, maar hij groeide uit tot dé nationale verzoener. ‘Hij was geen scherpslijper en er bijvoorbeeld erg voorstander van dat katholieken en protestanten gebroederlijk samenleefden.’
Hij sprak zich ook zelden uit over maatschappelijke kwesties. ‘In 1856 hield hij wel een beroemde rede tegen de slavernij. Dat kwam voort uit zijn christelijke overtuiging.’
Premier Schoof haalde afgelopen juli in Amsterdam in zijn toespraak tijdens de jaarlijkse viering van het einde van de slavernij nog een gedicht van Beets aan.
‘Laat de ketens vallen!
Breek, verbreekt het juk!
Vrijheid is voor allen
Noodig tot geluk’
Beets was behoorlijk conservatief, maar dat gold voor een groot deel van Nederland. ‘Hij was tegen de evolutieleer en tegen het oprukkende atheïsme. Van wat hij schreeuwerig feminisme noemde, wilde hij niets hebben. Maar hij gaf wel werken van vrouwelijke auteurs uit.’
Niemand zakte
In 1874 werd Beets hoogleraar in de kerkgeschiedenis in Utrecht. Een jaar daarvoor las hij een dichtstuk voor in Heiligerlee waar de slag in de Tachtigjarige Oorlog werd herdacht.
Koning Willem III was aanwezig bij die plechtigheid. De vorst wendde zich af van de dichter toen de toespraak was afgelopen. ‘Beets dacht: oh, heb ik iets verkeerd gezegd? Willem kwam naar hem toe en zei: “Ik kon zo-even niet spreken, want ik was te zeer aangedaan”, en riep vervolgens: “Ik wil dat deze man professor wordt.”’
Op de benoeming volgde de nodige kritiek. ‘Beets was gepromoveerd in de kerkgeschiedenis, maar tussen 1839 en 1874 had hij niets aan wetenschap gedaan. ‘Als een student vroeg wat hij moest leren voor een examen zei Beets: “Lees de Bijbel en kijk in je eigen hart.” Hij liet nooit iemand zakken voor een tentamen. Hij dompelde zich wel helemaal onder in het academische leven. Beets vond de waardering van andere professoren heerlijk. Erkenning was iets waar hij altijd naar op zoek was.’
‘Het Beetsarchief in de UB Leiden is gigantisch’, vertelt Honings. ‘In 2003 is er een inventaris van gemaakt, alleen dat al is een enorm boekwerk. Beets bewaarde alles. Hij correspondeerde met heel veel bekende en onbekende mensen. ‘Hij hield ook precies bij wat hij als predikant deed. Hij had bijvoorbeeld een boekje waarin hij herinneringen opschreef aan iedereen die in zijn gemeente was overleden.
‘Beets ontving constant fanmail; ook allemaal bewaard. Hij was een ijdele man, die er rekening mee hield dat er een keer een dik boek over hem geschreven zou worden. In het archief zitten ook heel aangrijpende dingen, zoals een haarlokje van zijn overleden vrouw. Daar schrijft hij dan bij: “Op het ziekbed afgeknipt.” Dan denk je: allemachtig, de geschiedenis komt heel dichtbij.’
Rick Honings, God, gezin en vaderland. De eeuw van Nicolaas Beets (1814-1903)
728 pag., €49,99.
Honings stelde ook een bloemlezing van gedichten van Beets samen: In mijn dichten is mijn hart
168 pag., €22,99
Uitgeverij Prometheus