‘De fiets was het moderne vehikel van de negentiende eeuw’, vertelt Ruth Oldenziel, hoogleraar Amerikaans-Europese techniekgeschiedenis aan de TU Eindhoven. ‘Het werd gezien als een manier om mensen uit Afrikaanse landen onafhankelijker te maken van de westerse wereld.’
Oldenziel is leider van Cycling Cities, een internationaal onderzoeksproject naar de geschiedenis van de fiets. In Cycling Cities: The African Experience staat Afrika centraal. ‘Het is een samenwerking van 25 wetenschappers die hebben gekeken naar fietsen in de afgelopen honderd jaar in Afrika. We proberen andere vormen te vinden om kennis te delen, dus hebben we een tentoonstelling en een koffietafelboek gemaakt.’
Dinsdag opende de tentoonstelling in het Agora-gebouw, die daar tot 4 juli op de derde verdieping te zien is. ‘Het boek hebben we opgedragen aan Sabine Luning, die hier docent was en vorig jaar is overleden. Het voelt heel dubbel. We zijn blij dat we dit kunnen doen en die ervaring met haar hebben gehad, maar we zouden ook willen dat zij dit had kunnen zien.’
Loodzwaar
Toen Oldenziel in 2012 begon met dit onderwerp, was niemand er nog echt in geïnteresseerd. ‘Het is gek voor Nederlanders om te bedenken, maar de fiets heeft wereldwijde aandacht. Juist buiten Nederland wil iedereen weten waarom we hier zoveel fietsen en hoe zij dat ook kunnen doen. In heel veel landen in Afrika zie je ook dat de fiets op veel verschillende manieren wordt ingezet.’
Zo kennen ze in Zomba, Malawi, de zogenoemde ‘houtfiets’. ‘Op een hoge berg is er bosbouw en dat hout gebruiken zij om hun huizen te verwarmen. Dan fietsen ze de berg op, daar kappen ze het hout en dan wordt die fiets helemaal omgebouwd tot een soort kruiwagen – het zadel, de pedalen en de ketting gaan eraf – en zo wordt het hout naar beneden vervoerd voor de markt.’
Naast de banier met informatie staat een houtfiets met een enorme hoeveelheid hout erop gestapeld. ‘Dat ding is echt loodzwaar en in werkelijkheid stapelen ze er nog zelfs veel meer hout op, maar dat lukte ons niet.’
‘Dit is onze favoriet.’ Oldenziel wijst naar een fiets in de kleuren van de Keniaanse vlag, met een verstevigd zadel en een dik kussen op de bagagedrager. ‘Dit is de fietstaxi en met name vrouwen maken hier gebruik van. Daarom zit er een scheiding tussen man en vrouw, zodat de vrouwen hun armen niet om de de chauffeur hoeven te slaan, maar zich daaraan kunnen vasthouden. Sommige vrouwen zitten in de Amazone-zit, omdat het in hun cultuur problematisch is om met gespreide benen achterop te zitten.’
Achter op het geïmproviseerde spatbord van de fiets staat een telefoonnummer. ‘Er wordt afgerekend via de mobiele telefoon. Het lijkt alsof het lowtech is, maar het is eigenlijk een combinatie van high- en lowtech. Afrika was veel eerder dan Europa met de mobiele telefoon, want zij hebben de fase van de vaste telefoon overgeslagen.’
Prestige
Over de hele wereld wordt de fiets anders gebruikt. ‘Dat is waarom het zo’n mooie technologie is. In Nederland gebruiken we de fiets vooral om van A naar B te komen, maar in heel veel andere landen zie je dat de fiets een andere rol inneemt. Denk aan sport, ontspanning, vervoer van goederen, vervoer van andere mensen.’
Toch kreeg de fiets over honderd jaar een steeds lagere status, stelt Oldenziel. ‘Fietsen worden goedkoper en krijgen concurrentie van de auto. Alleen in Nederland heeft het geen lage status. De Verenigde Naties proberen het fietsgebruik in Afrika te stimuleren. Het is ook een economisch goed instrument om armoede aan te pakken. Maar het prestige blijft laag. Met dit boek en deze tentoonstelling proberen we aan te geven hoe belangrijk de fiets wel niet is.’
Toen de Poolse ontdekkingsreiziger Kazimierz Nowak (1897-1937) solo meer dan 40.000 kilometer door Afrika fietste, van Caïro naar Kaapstad en weer terug, viel hem op hoe de fiets deel uitmaakte van het dagelijks leven van veel Afrikanen.
‘De zwartgekleurde mensen die je op straat tegenkomt, vertegenwoordigen een specifieke elite’, schreef hij in zijn dagboek. ‘Zij werken als koks, bedienden, dienstmeisjes of kindermeisjes in de huishoudens van de blanke kolonisten. Naast hun maandelijks loon krijgen zij eten en onderdak en ontvangen ze weleens een fooi. De vrouwen zijn meestal uitgedost in kleurrijke zijden kledij, dragen paraplu’s en goedkope, smakeloze juwelen. Veel van deze vrouwen bezitten hun eigen fiets, tot afgunst van anderen die daarvoor afhankelijk zijn van hun vriendjes.’