Achtergrond
‘Hup, de bus in!’ Op pad met de dierenambulance (die het drukker heeft dan ooit). ‘Let’s go!’
Voor de vrijwilligers van de Leidse dierenambulance is het elke dag dierendag. Mare reed mee met biologiestudent Fien Boerma. ‘Ik heb geen tijd om verdrietig te zijn.’
Eline Dirven
donderdag 1 oktober 2026
Foto's Taco van der Eb

‘Ja! Vrij!’

De dierenambulance schiet de bocht om. Achterin staan lege vervoersboxen, voorin kijken chauffeur Wies de Bruin (67) en biologiestudent Fien Boerma (22) geconcentreerd naar de weg. Bij iedere kruising herhaalt zich hetzelfde ritueel. Bijrijdster Boerma roept ‘Vrij!’ terwijl De Bruin optrekt.

Ze scheuren de hoek om, rijden de Rijndijk op en remmen voor de deur van een huis waar een doos op krukje staat. 

De dierenambulance Leiden staat 365 dagen per jaar paraat om dieren in nood te helpen. De Leidse afdeling draait op ruim honderd vrijwilligers en wordt gefinancierd door de omliggende gemeenten en donaties. In 2025 rukte de hulpdienst 5129 keer uit. ‘Dit jaar zijn we al over dat aantal ritten heen’, legt De Bruin uit. ‘En het is pas september.’

Megazenuwachtig

Boerma rijdt als een van de weinige studenten sinds februari mee met de hulptroepen. ‘Ik was megazenuwachtig’, bekent ze. ‘Maar ook als je iets nog niet kan, word je overal bij betrokken. Heb je nog nooit een lepelaar gevoerd? Maakt niet uit, ze leggen het je uit en binnen no time weet je hoe het moet.’

Bijna iedere dienst, vandaag van 18.oo tot 22.00 uur, leert ze iets nieuws. ‘Ik vond het heel spannend toen ik voor het eerst een zwaan moest vangen. Ik zag eruit alsof ik bij de recherche zat: in vogelgriep-pakken liepen we door een woonwijk, met zwanen in een shopper.’

Ze studeert biologie, maar is daar vooral met de microscopische kant van het vak bezig. Buiten haar studie om wil ze juist de andere kant opzoeken. ‘Bij mijn ouders hadden we honden, kippen en een kat. Toen ik op kamers ging, was ik opeens veel minder met dieren bezig.’ Ze meldde zich bij het kattenasiel, maar kreeg geen reactie. ‘Toen dacht ik: er zit hier ook een dierenambulance, dus waarom niet?’

‘De eerste keer een zwaan vangen is heel spannend’

De Bruin is inmiddels een doorgewinterde dierenredder. Het begon 22 jaar geleden toen ze een egel in het water vond, de dierenambulance belde en werd overgehaald om een dienst mee te draaien. 

‘Dierenambulance Leiden, wat kan ik voor u betekenen?’ 

Centralist Willemijn, verscholen achter een beeldscherm, neemt de telefoon op. In de kazerne aan de Draadbaan in Leiderdorp, boven het vogelasiel, klinkt luid geblaf. Labradoodle Joep en chihuahua Lucky begroeten iedereen die binnenkomt. Drie doorgezakte banken, grote blikken met koekjes en een half afgemaakte puzzel op tafel geven het gevoel alsof je in iemands woonkamer staat.

‘Zielig!’

‘Kijk eens wat ik hier heb’, zegt Willemijn. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is, trekt ze een baby konijn uit haar shirt. ‘Ze is gevonden achter iemands schuur. Ze is wel zwak, ik ga haar naar Delft brengen. Daar kan ze terecht voor de goede zorg.’ Tot die tijd gaat het beestje weer terug in haar shirt. ‘Zo, daar is het lekker warm’.

‘Vrij!’

De bus scheurt naar Voorhout waar een vader en twee zoontjes wachten. Voor hun voeten staat een schoenendoos met daarin een theedoek en een piepklein egeltje. Het dier zit opvallend stil. Boerma trekt grote handschoenen aan, pakt het beest voorzichtig op en bekijkt het van dichtbij. 

‘Het is nog een baby. Ach, er zitten al vliegeneitjes in zijn stekels. Hij moet snel naar het egelcentrum om die eruit te halen, anders gaat hij dood.’ 

Het beestje verdwijnt in een vervoersbox gevuld met kranten. ‘Die handschoenen zijn geen overbodige luxe’, legt De Bruin uit. ‘Egels dragen vaak vlooien, schurft of vliegeneitjes bij zich.’ ‘Zielig’, vindt Boerma. ‘Want ze kunnen namelijk moeilijk zichzelf krabben.’ De Bruin: ‘Hup, terug de bus in! We moeten door naar een kat!’

Vrijwilligers Fien Boerma en Wies de Bruin halen een dode kraai op. Foto Taco van der Eb

‘Vrij!’

Bij een Leidse flat aan het Granaatplein wachten een vrouw in schort en kindje in pyjama in de deuropening. Al enige tijd zwerft er een kat door het gebouw. Bewoners geven hem eten, maar toch lijkt hij steeds magerder te worden.

‘Hé Puff!’ 

Van paniek is bij de kat weinig te merken. Hij komt zichzelf rustig voorstellen en laat zich zonder moeite door Boerma oppakken. Ze haalt een chipscanner tevoorschijn en beweegt het langs het dier. Meteen verschijnen zijn gegevens. ‘Hij heet Puffy! Hé Puff!’ 

Er staat ook een telefoonnummer bij dat ze meteen belt. ‘Hi, met Fien Boerma van de dierenambulance. Klopt het dat u de eigenaar van Puffy bent?’ De vrouw aan de andere kant van de lijn reageert geschrokken. Ze vertelt dat ze jaren geleden is verhuisd en de kat bij een verzorgingstehuis heeft achtergelaten. Dat verzorgingshuis bestaat alleen niet meer en een nieuwe eigenaar is niet te achterhalen. Puffy gaat mee. Het kattenasiel zal proberen een nieuwe eigenaar te vinden.

‘Vrij!’

De dierenambulance remt bij een huis op de Rijndijk. Te laat: in de doos zit een dode kraai, waarvan de veren uit de kop ontbreken. De vrouw die het dier heeft gevonden komt naar buiten lopen. ‘Ja, zielig hè.’

Afscheid nemen

‘Altijd zonde’, zegt De Bruin als ze de vogel meeneemt. Onderweg vertelt ze dat ze bij dit soort meldingen probeert over te schakelen naar wat er praktisch moet gebeuren. Ook is het belangrijk dat eigenaren of omstanders zo goed mogelijk afscheid kunnen nemen.

Foto Taco van der Eb

Boerma herinnert zich haar eerste melding waarbij een kat was overleden. 

‘Het beestje was op slag dood door een aanrijding. Ik pakte het op om hem mee te nemen en voelde nog het warme, zachte lichaampje. Dat was wel even slikken. Dit was gewoon een kerngezond huisdier van iemand. Maar ik schakel dan direct over naar het geven van hulp, ik heb eigenlijk niet eens tijd om heel verdrietig te worden.’

Rond kwart over acht rijdt de ambulance weer het terrein aan de Draadbaan op, waar het geblaf van Joep en Lucky door de kazerne galmt. Boerma en De Bruin lopen het vogelasiel binnen, zetten dieren in de juiste kooien, schrijven bijbehorende gegevens op briefjes en maken de vervoersbakken schoon. Pas dan is het eindelijk tijd voor koffie.

Gebroken vleugel

Terwijl Boerma in haar bastognekoek bijt, springt Lucky bij haar op de bank. ‘Hij is gevonden in het water in een plastic zak. Zo erg! Wat bezielt je als je zoiets doet! Een van de vrijwilligers heeft Lucky geadopteerd.’

‘Dierenambulance Leiden, wat kan ik voor u betekenen? (…) Oké, goed dat je belt. Onze vrijwilligers zijn nu onderweg!’

Boerma en De Bruin kijken elkaar aan. ‘Oké, let’s go!’ Ze draven de trap af en springen de ambulance in. ‘Pioenstraat’, zegt Boerma. Op straat staan mensen hen al op te wachten, voor hen een omgedraaid kratje van de supermarkt. Boerma en De Bruin lopen er direct op af. Boerma kijkt onder het kratje en ziet het direct, een aangereden meeuw met een gebroken vleugel. 

Foto Taco van der Eb

‘Bij vogels heb ik altijd hetzelfde riedeltje, eerst de vleugels checken, dan de pootjes en de snavel.’ Ze probeert de tegenstribbelende vogel op te pakken. Zijn afwijkende anatomie helpt niet mee. 

‘Het went nooit’

‘Dit ziet er niet goed uit, deze is niet meer de redden’, merkt De Bruin op. De meeuw wordt in een doosje meegenomen naar het asiel.

‘Hij moet uit zijn lijden worden verlost, dat is de enige manier om hem nog te helpen’, zegt De Bruin terwijl ze met de bebloede vogel naar achter loopt. ‘Ik vind het niet leuk om te doen. Het zal nooit wennen.' 

Tegen tienen beklimmen de vrijwilligers voor de laatste keer de trap richting de thuisbasis. Over een paar minuten zit hun dienst erop. Tenminste, als de telefoon stil blijft. 

‘Als we nu nog een belletje krijgen, wordt het een latertje’, weet Boerma. ‘Maar ik wil vroeg opstaan morgen, want ik heb volgende week een tentamen en moet echt gaan studeren.’