In 1466 stond de dertienjarige Amelkin Jacobs voor de Gentse schepenen. Tien dagen eerder was ze geschaakt door Laureys Claeys. Een ‘schaking’ was weinig anders dan een ontvoering, gevolgd door een huwelijk buiten de toestemming van familie om.
Jacobs had aanvankelijk tegenover de schepenen verklaard dat er sprake was geweest van consent. Maar tien dagen later kwam ze daarop terug en zei ze dat ze gedwongen was door haar moeder om die verklaring te geven. De schaking, zo verklaarde het meisje, was eigenlijk een kidnapping en verkrachting.
Maar omdat ze eerder wél had gezegd dat het er sprake was geweest van toestemming, zagen de schepenen het huwelijk als rechtmatig en de verkrachting als niet bewezen. Het zou Jacobs vijftien jaar, waaronder zeven in de gevangenis, kosten om het huwelijk toch te laten ontbinden.
Consent is niet een nieuw begrip, laat dit verhaal uit de Middeleeuwen zien. Het concept speelt door de hele geschiedenis een rol, en heeft lang niet alleen te maken met relaties en intimiteit. Dat wilden de Leuvense samenstellers Chanelle Demeillieure (die over Jacobs schreef) en Jolien Gijbels, onderzoeken in Consent: een geschiedenis van dwang en vrije wil en alles daartussenin. Vandaag wordt het boek gepresenteerd in het Leidse Academiegebouw.
Toen Gerlov van Engelenhoven, universitair docent bij het Leiden University Centre for the Arts in Society (LUCAS), werd benaderd om een hoofdstuk te schrijven over consent in de koloniale geschiedenis, vroeg hij zich af of hij er wel wat zinnigs over kon zeggen. ‘Maar het was makkelijker dan verwacht.’
‘Als iemand “ja” zegt, betekent dat niet altijd dat er echt consent is’, zegt hij, en de koloniale geschiedenis puilt volgens hem uit van de voorbeelden die dat onderschrijven. Van Engelenhoven beschrijft in zijn bijdrage de komst van de Molukse gemeenschap naar Nederland. Ook onder hen: zijn oma die hier als twaalfjarige aankwam.
‘De Molukse gemeenschap ontstond vanuit de KNIL-soldaten die voor het Nederlandse koloniale leger vochten tijdens de onafhankelijkheidsoorlog. Dus eigenlijk leken ze te vechten aan de verkeerde kant: tegen Indonesische onafhankelijkheid. Maar zo simpel lag het niet. Ze vochten niet tegen Indonesische onafhankelijkheid en ook niet voor Nederlands kolonialisme, maar voor een derde optie: een autonome Molukse staat.
‘Toen Nederland zich terugtrok werd op de Molukken de onafhankelijkheid uitgeroepen waarna het Indonesische leger op Ambon aankwam en de boel bezette. De Molukse KNIL-soldaten, onder wie mijn overgrootvader, zaten vast in het westen van Indonesië en konden niet terug naar huis na afloop van de onafhankelijkheidsoorlog. Ze belandden in een soort limbo.
‘Uiteindelijk heeft Nederland onder internationale druk gezegd: we nemen ze naar mee naar Nederland om die situatie te doorbreken. Hopelijk sturen we ze over een paar maanden weer terug naar Indonesië.’
Er volgde een multiple choice voor de Molukkers: zich aansluiten bij het Indonesische leger, wapens inleveren en een burgerbestaan opbouwen, of naar Nederland. Van Engelenhoven: ‘Maar eigenlijk was geen enkele optie goed. Ze kregen zogenaamd een keuze, maar dat was geen echte keuze. De eerste twee opties waren niet echt mogelijk. Molukse soldaten werden ook wel “de honden van Nederland” genoemd. Er werden wraakacties tegen ze ondernomen. Dus natuurlijk kozen de meesten toch voor optie drie: naar Nederland gaan.’
Nog een bezwaar: ‘Als je geen officiële keuze maakte, was de keuze ook: Nederland. Een soort “wie zwijgt stemt toe”-consensus: je stilte wordt geïnterpreteerd als iets wat het waarschijnlijk niet is.’
Bovendien interpreteerden veel Molukkers het helemaal niet als vrijwillige keuze. ‘Mijn grootmoeder had de brief nog van haar vader, waarin stond: hij wordt dan en dan verwacht om in te schepen naar Nederland. Dat is geïnterpreteerd als een dienstbevel.’
Alleen is zo’n officieel bevel nooit in de archieven gevonden. ‘Dat maakt het pijnlijk’, zegt de onderzoeker. ‘De administratieve werkelijkheid is dat Molukkers hier vrijwillig zijn gekomen. Hoewel de 12.500 Molukkers die naar Nederland kwamen en afgesloten van de maatschappij in barakken werden weggestopt, allemaal zeggen dat ze hier niet vrijwillig kwamen. Daar zullen ze toch niet collectief over gelogen hebben?
‘Er is sprake van een negatieve redenering: omdat we geen bewijs kunnen vinden van een dienstbevel, gaan we ervan uit dat er geen dienstbevel was. Terwijl het enige wat we zeker weten is dat het dienstbevel niet in de archieven staat.’
In het boek betwijfelt Van Engelenhoven daarom of er gesproken kan worden van consent. ‘Is het zo simpel? Het is heel vaak zo dat men een false choice kreeg: of je blijft bij de kolonist of je krijgt een soort nieuw nationaal systeem waar iemand anders aan de macht is, maar nog steeds niet jij. Consent is hier een soort grid dat op mensen wordt geplakt. Je moet ja zeggen, maar voorbij die bureaucratische begrenzing heb je helemaal niks te zeggen.’
‘Dat iemand ja zegt, betekent dus niet dat er echt consent is. Zo zou de rechtspraak het graag willen zien: een gesproken “ja” is een gemeende “ja”. Was het maar zo makkelijk. Iemand kan zich gedwongen voelen om ja te zeggen.’
Consent: Een geschiedenis van dwang en vrije wil en alles daartussenin. Samengesteld door Chanelle Delameillieure en Jolien Gijbels. Uitgeverij Lannoo, 261 pgs. € 27,99
Presentatie Woensdag 25 februari, 17.00. Academiegebouw – Telders Auditorium. Aanmelden via de website van de universiteit