Mijn identiteit, ooit zo vanzelfsprekend, scheurde open; de grenzen van mijn ‘zijn’ werden poreus en gedeeld met een vreemde, waarbij het onduidelijk werd wat nog van mij was en wat van haar. Ik voelde een allesoverstijgende verbondenheid en zocht tegelijk verwoed naar afbakening.
(Uit: Uit het midden)
‘Waar jouw lichaam altijd jouw plek was, wordt dat de plek van een ander’, vertelt Marie Lucassen (29), schrijver, internationaal model en docent filosofie. ‘Het is niet iemand die je kent of iemand die je zelf uitgekozen hebt. Dat is een relatie die met niets anders te vergelijken is.’
Waar eindigt een mens en waar begint een ander? Tijdens Lucassens zwangerschappen van Elfie (3) en Leo (drie maanden) vervaagde die grens volledig. ‘Ik was nog steeds Marie, maar tegelijkertijd ook echt niet meer. Mijn lichaam was van mij, maar ook van iemand anders. Ik voelde ook echt wel die grondtoon van dankbaarheid-ladida, maar ook een soort vervreemding.’
Ze kon geen woorden vinden voor dat gevoel. ‘Ik dacht: dat zullen wel de hormonen zijn, of ik ben gewoon nog niet goed gehecht met het kind. Maar soms dacht ik ook dat ik niet klaar was voor het moederschap. Daar worstelde ik echt mee.’
Over dat gevoel schreef ze haar masterscriptie filosofie. Na de verdediging werd ze gevraagd er een boek over te schrijven. ‘Tegelijkertijd werd ik ook nog gevraagd om te promoveren. Dat vond ik allemaal te groot en te eng, dus destijds heb ik overal nee tegen gezegd.’
Maar als ze na haar afstuderen alleen nog maar modellenwerk doet, maakt dat haar ook niet gelukkig. ‘Dat is niet vervullend. Ik kwam na mijn master in een enorm zwart gat terecht. Waar moet ik heen? Wie zit op mij te wachten? Wat is belangrijk? Wat verdient geld? Ik raakte zo bevroren dat ik niks koos. Toch had ik zoiets van: kom op, Marie, je moet iets doen. Dus besloot ik toch dat boek te schrijven.’ Dat werd Uit het midden, filosofie van de zwangerschap, dat op 1 april verschijnt.
Kolven
Tegelijkertijd begon ze als docent aan de Universiteit Leiden. ‘Dat was met het moederschap in het begin nog wel even puzzelen, maar het werkt. Mijn moeder brengt Leo naar me toe in de pauzes om hem te voeden, maar ik heb ook weleens tijdens college zitten kolven.’
Haar eerste zwangerschap, als student, voelde voor Lucassen best gek. ‘Ik wilde er graag trots op zijn: “Kijk maar, ik doe het anders.” Maar ik was ook gevoelig voor de blikken, als ik met zo’n dikke buik in de UB zat.’ Of als ze naar een docent moest omdat het tentamen gelijk viel met de datum waarop ze uitgerekend was. ‘Dat vond ik gênant, alsof ik een soort teen mom was. Het wordt toch als iets geks gezien, en dat vind ik jammer.’
De Universiteit Leiden vormt voor Lucassen de rode draad in haar leven. ‘Mijn moeder heeft voor de uni gewerkt (Wil Portegijs, onderzoeker vrouwenstudies, red.) en mijn vader (hoogleraar sociale geschiedenis Leo Lucassen, red.) gaat binnenkort met pensioen. We hebben samen een hoorcollege gegeven: mijn eerste semester en zijn laatste. Als klein kind liep ik hier al rond. Ik ben echt opgegroeid met het universiteitslogo en het Lipsiuscafé.’
Zelf studeerde zij er bijna acht jaar filosofie. ‘En het liefst was ik dat mijn hele leven blijven doen. Ik heb zo lang mogelijk over mijn studie gedaan, niet omdat ik te weinig deed, maar omdat ik alle mogelijke zijpaden heb bewandeld: nóg een minor, nóg een stage, alle mogelijke extra vakken. Ik vond studeren het allerfijnste wat er was.’
Toch voelde ze zich binnen die academische wereld niet per se thuis. ‘Ik las alleen maar mannelijke filosofen, had mannelijke docenten en de meeste medestudenten waren man. Ik voelde me eerder een dankbare toehoorder dan iemand die zelf iets kon toevoegen.’
Dat veranderde pas toen ze in het tweede jaar les kreeg van Rozemund Uljée. ‘Toen kreeg ik voor het eerst het idee: oh my god, vrouwen kunnen zelf actief deelnemen aan filosofie, en zelfs filosofen als Plato op de schop nemen.’
Dat doet ze in haar boek. ‘Zwangerschap staat haaks op ons - door mannen gecreëerde - ideale zelfbeeld: autonoom, zelfgeschapen en onafhankelijk. Thomas Hobbes schrijft dat de mens uit de grond plopt als een paddenstoel, plotseling, en autonoom is - zonder gebondenheid aan de ander. Maar als je kijkt naar een zwangerschap, klopt dat beeld gewoon niet. Wat weten Plato, Hobbes en Heidegger nou van een kind baren?’
Individuensoep
Volgens Lucassen hechten zij te veel waarde aan de mens als een ongebonden wezen. ‘Gebonden zijn aan een vrouw hoort niet in het klassieke, westerse denken. Daarom nemen we bij de geboorte pas aan dat er een kind is: ik zie het, dus het bestaat. Alle ambiguïteit, die tussenruimte van zijn en er niet-zijn vinden we moeilijk.
‘We zijn uit het oog verloren dat we in beginsel in die heel vervreemdsoortige verwikkeling zijn ontstaan. Moeder en kind zijn geen individuensoep waarin alles onlosmakelijk verbonden is, maar het is ook niet het klassieke beeld van een kind dat in de oven zit en zichzelf schept. De vrouw is geen oven, want wie een oven is, is geen bakker. Het is niet iets passiefs: mijn organen schoven opzij, mijn botten verloren calcium, m’n huid werd opgerekt. Het is ook niet iets actiefs, maar iets daar tussenin.’
In Uit het midden krijgt ook Hobbes ervanlangs. ‘Wat een grap dat hij de paddenstoel heeft gekozen: het meest relationele wezen. Paddenstoelen zijn onder de grond ontzettend met elkaar verbonden en communiceren de hele dag. Als hij dieper had gekeken, had hij geweten dat we juist voortkomen uit die verbintenis.
‘Als je alleen met je ogen kijkt, lijkt het of er bij de geboorte ineens een mens is. Elfie werd om kwart voor 11 geboren op een zomerdag, dus dat staat er op haar geboorteakte. Wat een onzin! Ik heb haar negen maanden lang met me meegetorst en met moeite, en liefde, plaatsgemaakt in mezelf. Wat een uitwissing van mijn werk om te zeggen dat ze toen pas ontstond.’
Uitgerekend dat besef heeft haar ‘meer pro-choice dan ooit tevoren’ gemaakt. ‘Juist omdat ik zeg dat er geen punt is waarop je kunt aanwijzen dat een nieuw leven is begonnen. Zolang het in die buik zit, verwikkeld is met de vrouw en dus geen op zichzelf staand individu is met rechten en plichten, beslist de vrouw. Juridisch is het logisch dat we een punt nodig hebben waarop we abortus niet meer toelaatbaar vinden, maar in de filosofie kan ik dat niet hard maken.
Autonoom
‘Een zwangerschap is veel te ingrijpend om een buitenstaander te laten bepalen wie er wel en niet mijn huis in mag. Als iemand mijn huis binnendringt en ik wil dat niet, komt de politie en is er sprake van huisvredebreuk. In het vrouwelijk lichaam telt dat niet, kennelijk.’
Lucassen gelooft dat de vrouwelijke scheppingskracht angst inboezemt. ‘Het feit dat het lichaam van een vrouw beslist over leven en dood, komt dichtbij iets goddelijks. We duiden het vaak als een wonder, maar het is ook gewoon fucking eng. Er zit heel veel macht in die baarmoeder. Het voelt veiliger om aan te nemen dat die het leven op zichzelf, autonoom, ontstaat. Als mannen zouden kunnen baren, zouden we er niet over ophouden.’
En de Franse filosoof René Descartes mag dan zijn reputatie danken aan zijn klassieke oneliner ‘ik denk, dus ik ben’, volgens Lucassen is dat dus precies andersom. ‘Descartes vraagt zich af: hoe weet ik dat de ander bestaat? Die houding is nu heel vaak het begin in de filosofie. Maar ik denk dan: gast, had dat even aan mij gevraagd. Die ander draait zich 47 keer om in mij, waardoor ik moet plassen en niet kan slapen. Denk aan tanden die uitvallen bij zwangere vrouwen, lekkende borsten, uitvallende haren. Voor een zwangere vrouw is er geen twijfel over mogelijk dat die ander bestaat.
‘De vraag zou moeten zijn: hoe word ik een ik? Natuurlijk zijn moeder en kind totaal andere wezens, maar we worden geboren in verbintenis. Hoe maken we ons vanuit die verwikkeling, dat rommeltje en die kluwen los van onze moeders, tradities, conventies en opvoeding? In die losmaking voltrekt zich het hele leven.’
Marie Lucassen, Uit het midden, filosofie van de zwangerschap, Singel uitgeverijen, € 20,99, verkrijgbaar vanaf 1 april