‘Ik heb twee varkens gedood’, riep controleur van de Nederlandse overheid Rolph Gonsalves op 9 april 1959 tegen een groep met speren bewapende Dani, een Papoea-stam in de jungle van de Baliemvallei, Nieuw-Guinea. Gonsalves had het echter niet over afgeschoten dieren. Het waren twee Dani die door hem en zijn agenten waren neergeknald.
En, dreigde de bestuurder met geweer in de hand tegen de woedende stamleden, hij zou niet twijfelen om weer de trekker over te halen. ‘Wie nog durft iets tegen mij te doen, komt maar.’
Gonsalves had de opdracht gekregen om orde te brengen in dit onherbergzame deel van de kolonie, schrijft hoogleraar algemene geschiedenis Wim van den Doel in zijn onlangs verschenen boek Opheffers over het Nederlandse ontwikkelingsbeleid 1945-1963. De pas 26-jarige bestuurder, die in Leiden rechten had gestudeerd en preses was geweest van Augustinus, was tijdens een van zijn ‘pacificatiemissies’ in een benarde situatie terechtgekomen.
Angst voor communisme
De nadruk van de ontwikkelingshulp was voornamelijk gericht op Suriname en Nederlands Nieuw-Guinea. Na de officiële onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 was Nieuw-Guinea het enige deel van Nederlands-Indië dat nog een kolonie was. Pas in 1962 werd het gedwongen afgestaan.
Het idee van ontwikkelingshulp was dat wereldwijde conflicten en oorlogen op de loer lagen als het westen de welvaartskloof niet probeerde te dichten. ‘Deze zorg vermengde zich al snel met de angst voor het communisme.’ De hulp werd onderdeel van de strijd in de Koude Oorlog.
In maart 1959 was de situatie in de onrustige Baliemvallei tot een kookpunt gekomen. Varkens waren zeer belangrijk voor de Dani en juist deze kostbare dieren stierven aan een ziekte. Een dorpshoofd, Pumansilon, verspreidde het gerucht dat de ‘aanwezige blanken in de vallei’ de veroorzakers waren van de epidemie: zij moesten worden gedood.
Er volgden aanvallen op missionarissen in de regio. Gonsalves moest met een deel van zijn politiemacht orde op zaken stellen. De resident, de hoogste bestuurder in de regio, had hem de opdracht meegegeven ‘afdoende en harde maatregelen te nemen’.
Het kwam tot een confrontatie. Gonsalves liep op Pumansilon af. Het dorpshoofd gooide een speer naar de controleur, maar miste. Gonsalves schoot het dorpshoofd met zijn junglekarabijn een kogel door het hoofd. Ook een adjudant van Pumansilon werd door een van de Papoea-agenten doodgeschoten.’ Het dreigement om meer Dani neer te schieten was voldoende om de opstand de kop in te drukken.
Een tevreden Gonsalves rapporteerde aan zijn baas in hoofdstad Hollandia dat wat er ‘gebeurde er zeer toe heeft bijgedragen dat het bestuursprestige aanzienlijk is toegenomen’.
Onmogelijke opgave
De Nederlandse overheid stond voor een onmogelijke opgave in Nieuw-Guinea. Het was een gebied ‘ongeveer tienmaal zo groot als Nederland met delen die nog niet in kaart waren gebracht’. Het ontbrak aan voldoende geld en manschappen om grip te krijgen op de kolonie. In Den Haag leefde desondanks het idee dat Nederland een ‘zedelijke plicht tot leiding en opvoeding’ van de Papoea’s had. Om dat voor elkaar te krijgen was de bevordering van de landbouw noodzakelijk.
Daarvoor moest er eerst nog veel werk worden verricht, want het ‘het bestaan van den primitieve is er een van eindelooze oorlogen en vetes’, schreef resident Jan van Eechoud in 1947. ‘Gehele gemeenschappen worden gehalveerd door regelmatig terugke rende epidemieën, streken zijn ontvolkt door uitmoording. De strijd om het bestaan woedt er in alle hevigheid.’
Nederland deinsde er niet voor terug om opstandige Papoea’s met geweld te onderdrukken. De confrontatie met Pumansilon in de Baliemvallei had Gonsalves ook aangemoedigd om hard te blijven optreden. Er werden lijfstraffen ingevoerd. Een lid van de stam zou tegen Gonsalves hebben gelogen en kreeg van hem 'vijfentwintig slagen met de gummistok' op zijn achterwerk. Na deze behandeling viel de man flauw.’
Nederland deinsde er niet voor terug om opstandige Papoea’s met geweld te onderdrukken. De confrontatie met Pumansilon in de Baliemvallei had Gonsalves ook aangemoedigd om hard te blijven optreden. Er werden lijfstraffen ingevoerd. Een lid van de stam zou tegen Gonsalves hebben gelogen en kreeg van hem vijfentwintig slagen met de gummistok op zijn achterwerk. Na deze behandeling viel de man flauw.
De Papoea-agenten gingen arrestanten steeds vaker slaan om ze tot bekentenissen te dwingen. Gidsen over wie Gonsalves ontevreden was, werden afgeranseld. De Nederlanders dwongen Dani te werken aan de voltooiing van een vliegveld in de vallei. ‘Dit gebeurde door hen te bedreigen met het platbranden van hun dorpen.’
Naast deze misstanden waren er serieuze pogingen om Nieuw-Guinea daadwerkelijk te ontwikkelen. In Koembe, in het zuiden van de regio, werd een polder voor grootschalige landbouw aangelegd, met het idee dat import van rijst niet langer nodig was.
‘Bulldozers brommen door de enorme groene vlakten’, schreef journalist Bert Lulofs enthousiast in De Telegraaf. ‘Tijd is geld op Nieuw-Guinea. Twintig eeuwen moeten worden overbrugd; niet te veel plannen meer, maar de hand aan de ploeg. Een aanpak Jan Pieterszoon Coen waardig.’
Het leek allemaal goed te gaan in Koembe, maar het project draaide alsnog uit op een sof. De vijand kwam uit de lucht. ‘Zwermen waterhoenen’ stortten zich op de rijst. ‘De vogels drukten met hun gewicht de halmen plat’ en vraten ze leeg. De pogingen om de duizenden vogels af te schieten hadden weinig resultaat, ‘behalve dat alle munitie in Koembe erdoorheen werd gejaagd’. ‘Het was met een diepe teleurstelling de rijstoogst langzaam te zien vernielen zonder in staat te zijn er iets tegen te doen.’
Uiteindelijk constateerde de Nederlandse regering dat de resultaten van de ontwikkelingshulp in Nieuw-Guinea mager waren geweest. ‘Op economisch terrein denkt de bevolking nog niet verder dan een varken, dat wil zeggen als we genoeg gegeten hebben, gaan we slapen’, zei Marcus Kaisiepo, het Papoealid van de Nieuw-Guinea Raad in 1961.
Toch waren er wel degelijk ook positieve punten te noteren. De gezondheidszorg was sterk verbeterd (zie kader). In 1961 waren tientallen ziekenhuizen en poliklinieken in gebruik, 250.000 Papoea’s waren tegen malaria beschermd en 400.000 behandeld tegen de uiterst nare bacteriële infectieziekte framboesia, een aandoening die misvormingen veroorzaakte en ‘in bepaalde gebieden vrijwel geheel was verdwenen’.
zondebok
Gonsalves werd in 1960 benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De onderscheiding voor de schietgrage controleur – later werd hij wel omschreven als ‘Gunsalvo’ of ‘Godzelvus’ (al noemt Van den Doel die bijnamen niet) – viel niet bij iedereen in goed aarde. Bij de dienst Binnenlandse Zaken in Hollandia werd ‘smalend over het “IJzeren Kruis 1e klasse” gesproken. Een verwijzing naar de onderscheiding die in nazi- Duitsland een belangrijke rol had gespeeld.’
Er kwam een onderzoek naar de ‘kwestie-Gonsalves’ door procureur-generaal bij het Hof van Justitie in Hollandia, Gerard von Meyenfeldt. Hij constateerde dat ‘het willen afdwingen van de “pax neerlandica” door een piepjong pas beginnend bestuursambtenaar, met totaal onvoldoende hulpkrachten en -middelen’, een ‘gevaarlijke dwaasheid’ was.
Daarbij kwam nog de dreiging ‘de zondebok te worden van een niet verantwoord beleid van het bestuur’. Gonsalves, die in 2002 overleed, kon beter niet vervolgd worden omdat dit hem onevenredig zou treffen en dat gebeurde dan ook niet. Hij maakte ondanks zijn donkere verleden vervolgens carrière bij het openbaar ministerie in Nederland en zou uitgroeien tot een zeer invloedrijke procureur-generaal.
Opheffers, Nederlanders en de ontwikkeling van de wereld 1945-1963
Wim van den Doel,
Prometheus
520 pag. € 44,99
Jacoba ‘Co’ Aalders betekende veel voor de verbetering van de gezondheidszorg in Nieuw-Guinea. Ze werkte, nadat ze daar in 1949 arriveerde, onder zeer zware omstandigheden als verpleegkundige in een ziekenhuis in Manokwari.
‘In mei leverde de politie een vrouw bij Aalders af’, schrijft Wim van den Doel in Opheffers. ‘Ze had een slagaderlijke onderarmbloeding omdat haar man met een mes haar hand had willen afsnijden “omdat ze ’t eten niet op tijd klaar had”. Een kind van een jaar was op haar rug gebonden. “Onder hevig verzet (ze was bang dat ik haar nog verder wilde doodmaken) kregen we haar met zijn vieren op een stoel op de voorgalerij. Onder gekrijs lukte het mij door vier jongens in bedwang gehouden deze vrouw de slagadertjes te onderbinden en de wond verder te hechten. […] Van opname was geen sprake, op hoop van zegen liet ik haar dan maar gaan.”’
Aalders zou dé spil in de modernisering van de zorg worden. Ze werd directeur van het Centrale Ziekenhuis van de hoofdstad Hollandia en leidde ‘honderden Papoeajongens en -meisjes’ op tot verpleegkundigen. ‘Het waren deze Papoeaverplegers in het binnenland die een belangrijke rol speelden in de strijd tegen ziektes als malaria en framboesia.’
Nederland moest in 1962 Nieuw-Guinea de facto afstaan aan Indonesië. Aalders werd, net als alle Nederlanders, min of meer gedwongen om te vertrekken. ‘Het is een zeer trieste tijd. Iedereen is somber gestemd en hoe kan het anders’, schreef ze over deze turbulente periode. ‘Iedere dag verandert de situatie nu hier. Wij zullen trachten bij de dag te leven: “want iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad”.’
Op 2 januari 1963 nam Aalders afscheid van haar leerlingen en verpleegsters in Hollandia. Twee dagen later stapte ze op het vliegtuig naar Nederland.