Achtergrond
Altijd zelf het initiatief nemen
Geschiedenisstudent Tom ter Plegt is slechtziend. Dat leidt tot heel veel regelwerk. ‘Dat is nogal vermoeiend.’
Anne Kamsteeg
donderdag 7 maart 2019

‘De eerste keer dat ik hier liep, viel ik bijna naar beneden.’ Tom ter Plegt (20) wijst op een fietskelder op het Rapenburg.

Hij is slechtziend. Door een hersentumor verloor hij 95 procent van zijn zicht. ‘Mijn tumor bestond uit drie vormen van kanker, tot dan toe een onbekende combinatie. Aanvankelijk was ik daar heel nuchter over, later kwam pas het verdriet. Na anderhalf jaar is het ze wel gelukt om de tumor weg te krijgen met operaties, bestralingen en chemokuren. De kans op terugkeer is even groot als bij ieder ander mens dat nooit kanker heeft gehad.’

Nu, drie jaar later, is zijn zicht hersteld naar ongeveer twintig procent. ‘De verbetering ligt al ruim een jaar stil, dus veel beter dan dit zal het niet worden.’

Ter Plegt begon in september zijn studie geschiedenis. Hij woont nog bij zijn ouders en is een halfuurtje met de trein onderweg, maar is wel op zoek naar een kamer. Vanaf het station loopt hij vaste routes naar de universiteit en weer terug. ‘Leiden is eigenlijk heel toegankelijk, er zijn weinig valkuilen, letterlijk en figuurlijk. Alleen die fietskelder.’

Binnen de universiteit vindt hij zijn weg ook probleemloos. Maar daar staat tegenover dat het regelen van de nodige hulp een stuk ingewikkelder is. ‘Het is heel veel eigen verantwoordelijkheid en vragen naar wat voor mij nodig is. Er is geen kant-en-klaarpakket of mogelijkheid om te zien wat er überhaupt beschikbaar is. Het initiatief moet altijd van mij komen. Er is mij praktisch erg weinig aangereikt.’

Van de drie vakken die hij in een semester moet volgen, allemaal bestaande uit een werkcollege en een hoorcollege, volgt Ter Plegt er twee. ‘Ik kan niet al die colleges tegelijk doen, omdat ik sneller vermoeid ben. Als ik twee colleges achter elkaar heb gehad, moet ik even bijkomen. De inspanning kost me veel energie doordat er altijd druk is in mijn hoofd, en na de chemotherapieën van toen gaat het ook zwaarder. Ik haal mijn propedeuse dus pas over twee jaar. Maar ach, jammer dan. Ik kan er ook makkelijk langer over doen, omdat ik langer mijn studenten-ov mag gebruiken en een studietoeslag kan krijgen met mijn beperking.’

Hoorcolleges leveren niet enorm veel problemen op, maar hij moet wel extra moeite doen om de stof tot zich te kunnen nemen. ‘Ik kan de Powerpoints niet zien, dus ik moet vragen of die kunnen worden gemaild. De docenten zijn daar heel begripvol over en doen dat meestal ook, maar ik moet het wel ieder college dat ik een andere docent heb, ook binnen eenzelfde reeks, opnieuw vragen. Er lijkt weinig onderlinge communicatie te zijn, dat is nogal vermoeiend. De hoorcolleges neem ik zelf op, de universiteit doet dat bij bijna geen van mijn colleges. Thuis maak ik dan de aantekeningen, zodat ik tijdens college alleen hoef te luisteren.’

En al het leeswerk dan? ‘Dat is niet zo erg, zolang het voorgelezen kan worden. Bij pdf’s en Word-bestanden gaat dat, bij fotoscans moet ik er eerst leesbare teksten van maken. Bij geschiedenis is het fijn dat er nauwelijks tabellen en grafieken zijn.’

Bij zijn studieboeken ging dat minder soepel. ‘Dat was veel regelwerk. Er was onduidelijkheid rondom de audioboeken, of ik ze zelf moest inscannen, via een particulier bedrijf aan moest vragen, of dat de universiteit het zou verzorgen. Er ging ook veel via Fenestra Disability Centre, maar daar ging het er even omslachtig aan toe. Pas één week voor mijn tentamens had ik mijn boeken, en daar heb ik ook niks aan gehad bij die eerste tentamens. Dat was heel onhandig.’

Omdat tentamens ook worden voorgelezen, maakt hij die in een aparte ruimte. ‘Het tentamen krijg ik op een USB-stick die ik in mijn eigen laptop kan stoppen. Voor het tentamen krijg ik vijftig procent meer tijd dan studenten zonder extra tijd. Uiteindelijk heb ik dan maar een kwartiertje meer dan de dyslecten, maar ik heb die tijd wel nodig.’

Volgens hem ging ‘de bal vaak pas te laat rollen’. Hij voegt daar meteen aan toe dat het allemaal wel goed is gekomen en dat hij daar blij mee is. ‘Mijn studentmentoren heb ik laten weten dat het allemaal zo lang heeft geduurd en dat er zoveel geregeld moet worden. Zij laten het dan weten aan de studiecoördinator. Ik hoop vooral dat ik op korte termijn zelf kan studeren en overal aan toe kan komen, zonder heel veel studievertraging op te lopen. Maar uiteindelijk zal ik er ieder semester wel weer achterkomen dat iets voor mij niet toegankelijk is.’