De zon scheen toen we Leiden uitreden, maar nu kijk ik naar de regendruppels op de ruit. Ik rij achteruit en maak mezelf klein met mijn benen over elkaar. Een college en twee werkgroepen maken dat ik een treinreis wil zonder contact met anderen. Dus ik heb mijn handtas op de stoel naast me gelegd en mijn zonnebril opgehouden. De trein wiegt me en ik draai mijn lichaam verder naar het raam.
‘22 is een heel aantrekkelijke leeftijd.’
Mijn nieuwsgierigheid is sterker dan mijn melancholiek. Zonder mijn lichaam te bewegen bespied ik de man die schuin tegenover me zit. Terwijl hij praat laat hij de hele tijd zijn witte en opvallend vierkante voortanden zien. Maar hij lacht niet, hij maakt geen grappen, hij grijnst. Hij straalt alsof hij nooit wordt gedimd.
‘22 is een heel aantrekkelijke leeftijd.’
‘Wel een beetje oud’, antwoordt de vrouw naast hem zonder van haar telefoon op te kijken.
‘Ja, dat wel’, zegt de jongen.
Hij haalt zijn zonnebril uit zijn haar en klapt de pootjes dicht en weer open. Hij haakt hem in zijn hoodie, haalt hem er weer uit en legt hem op zijn schoot. In zijn grote handen lijkt de plastic zonnebril wel een 3D-bril voor kinderen. Hij neemt hem in de hand en slaat zijn benen over elkaar.
Ik moet denken aan de scène in Clueless waarin de hoofdpersoon Cher twee leraren bespiedt. Om betere cijfers te krijgen probeert ze haar strengste leraren aan elkaar te koppelen in de hoop dat ze dan wat zachter worden. Ze voelt een succes aankomen wanneer beiden, naast elkaar op een bankje, hun benen richting elkaar kruisen. Cher, die denkt dat zij alles begrijpt, ziet dat als een onomstotelijk bewijs van hun wederzijdse aantrekking.
De jonge vrouw naast hem zit met twee benen op de grond en lijkt niet door te hebben hoe onrustig haar reisgenoot is. Ze kijkt nog altijd naar haar telefoon, maar vraagt hem dan: ‘Heb jij haar al verteld hoe oud jij bent?’
‘Pas als ik twintig ben. Anders maakt ze het vast uit.’
De zon schijnt weer als we Den Haag uitrijden. De 19-jarige jongen zet zijn zonnebril op zijn neus. In zijn handen leek de bril heel klein, maar op zijn gezicht valt het mee. Alle drie stappen we uit bij hetzelfde station en lopen een andere kant op. Zij nemen afscheid van elkaar zonder elkaar aan te raken.
Er liggen plassen op het stationsplein. Ik loop om ze heen op weg naar de tram. Nu schijnt de zon in mijn ogen, maar het is fris. Ik beweeg van mijn ene been op het ander en wacht op tram 11. Ik voel me niet oud noch aantrekkelijk. Ik wil naar huis, zodat ik mijn schoenen uit kan doen, mijn benen op kan trekken en uit het raam kan staren.
Giselle Maria Timmers studeert literatuurwetenschap