Ze hadden zich helemaal uitgedost: veren, beschilderde gezichten, kralen, schelpen en peniskokers. Studenten uit het Papoea-Bergland die in 2018 naar de universiteit kwamen, deden precies wat hun medestudenten ook deden: voor één dag in traditionele kleding naar college. Maar waar gebatikte rokken en kebaya’s probleemloos werden geaccepteerd, trok de universiteitsadministratie bij de peniskokers de grens.
‘Dat kon niet, mocht niet en was niet gepast’, vertelt conservator Wonu Veys van Wereldmuseum Leiden terwijl ze Mare rondleidt bij de expositie Tijd voor Papoea die vanaf 13 februari te zien is. ‘Peniskokers worden vaak als iets seksueels gezien, terwijl dat niet zo is. Het is gewoon een kledingstuk dat vandaag de dag enkel voor feestelijke gelegenheden wordt gedragen.
‘Er wordt veelal gedacht dat de grootte van de peniskokers iets te maken heeft met mannelijkheid of met seksuele prestaties, maar eigenlijk hangt de grootte af van de stam waartoe je behoort. Het is een soort modebewustzijn.’
Veys, die ook voor de Universiteit Leiden werkt als bijzonder hoogleraar kunstgeschiedenis, loopt langs een aantal nog lege vitrines. ‘Hier komt straks de grootste Papoea-tentoonstelling ter wereld.’ Zo’n 50.000 Papoease voorwerpen lagen al jarenlang in het depot opgeslagen, daarvan zijn er 400 te zien in de tentoonstelling.
Landbouw
‘We vinden het tijd om aandacht te besteden aan Papoea, zeker in het publieke debat gebeurt dat nog te weinig. Veel mensen zijn verbaasd dat wij zo’n grote collectie hebben, omdat niet iedereen weet dat het ooit een kolonie was van Nederland. Er is veel aandacht voor andere voormalig gekoloniseerde gebieden zoals Indonesië, Suriname en het Caribisch gebied. Maar ook Papoea hoort bij de Nederlandse geschiedenis. Het enige wat mensen vaak van Papoea weten, zijn de peniskokers.’
In het eerste deel van de tentoonstelling zijn de netwerken die het eiland had te zien. ‘Vaak wordt gedacht dat ze alleen door de Europeanen in contact werden gebracht met de buitenwereld, maar dat was al lang daarvoor gaande’, zegt de conservator, terwijl ze naar diverse versierde kano’s wijst. ‘Zo voeren ze naar Indonesië en naar de Molukken.’
Het idee dat er in Oceanië geen weefgetouw en ijzer gebruikt werden, leeft heel sterk in de westerse wereld, vertelt Veys. ‘Papoea is daarin echt de uitzondering. We hebben hier metalen voorwerpen die dateren tussen 600 en 100 voor Christus. Vanaf de vijftiende eeuw was er ook metaalbewerking in Papoea.’
Daarbij is Papoea een van de weinige plekken ter wereld waar onafhankelijk landbouw is ontstaan. ‘Dat gebeurde al in 8000 voor Christus.’
Varkenstanden
Toch komt Papoea niet van het vooroordeel af primitief te zijn. ‘In Indonesië, waar Papoea officieel toe behoort, kijkt men heel erg neer op Papoea’s. De overheid en de bevolking zeggen dat zij nog in de steentijd leven. Ze worden sterk gediscrimineerd: mogen hun eigen taal niet spreken en hun Morgenstervlag niet hijsen. Als student vinden zij veel moeilijker een kamer in Jakarta bijvoorbeeld. Ook voelen mensen zich genoodzaakt zich te bekeren tot de islam, de grootste religie in Indonesië, om werk te kunnen vinden.’
Dat is moeilijk voor Papoea’s, omdat sommige traditionele gebruiken botsen met het islamitische geloof. ‘Dit zijn de tanden van een specifiek soort varken’, zegt Veys, terwijl ze wijst naar een ketting met tientallen ronde hoektanden. Een stagiaire is nog bezig deze op te stellen. ‘Ze zijn een teken van prestige. Het houden van veel varkens geeft aanzien in Oceanië. De hoektanden groeien in een soort cirkel, dus die slaan of trekken ze eruit om te gebruiken als sieraden.’ Op beelden is te zien dat ze soms ook door de neus gedragen worden. ‘Ze kunnen als bruidsschat dienen.’
De omvangrijke collectie is op verschillende manieren in Nederland gekomen. ‘Voor een deel natuurlijk door de koloniale overheid. Ook zendelingen en missionarissen namen het een en ander mee. Er werd voor betaald, maar soms voelden mensen zich gedwongen om dingen af te staan.’
Per regio kijkt men daar anders naar. ‘In het noorden hebben ze veel meer het gevoel dat dingen afgenomen werden, daar verstopten mensen vroeger ook weleens objecten in het moeras, zodat ze niet afgepakt konden worden. Terwijl mensen in het zuiden zeggen dat hun voorouders het gegeven hebben. Dat is ook niet gek, want Papoea is zo divers; er zijn 300 talen en culturen.’
Tijd
Een van de hoofdthema’s in de voorstelling is tijd. ‘Die wordt door Papoea’s heel anders ervaren, niet per se als lineair. Als je contact onderhoudt met je voorouders, heb je het verleden bij je. En dat heb je nodig om een toekomst te kunnen bouwen. Alle tijden komen samen.’
In het Geelvinkbaai-meergebied maken de Papoea zogenoemde korwarbeelden. ‘Die werden gemaakt na afloop van de begrafenis door een houtsnijder, maar ook een religieus specialist. Hij maakte het beeld, maar kon ook de energie van de overledene in het beeld brengen.’
Een van de beelden in de vitrine heeft ook de schedel van een voorouder. ‘We hebben hierover gesprekken gehad met de gemeenschap en voor hen laat je op deze manier zien dat je goed met je voorouders omgaat.’
Bij de Asmat, in het zuiden van Papoea, maken ze zogenmde bisjpalen om hun voorouders te herdenken. ‘Ze zijn bedoeld om de rondzwevende geest van de overledene voorgoed vaarwel te zeggen. Hiermee laten ze de geest weten dat alle taken zijn overgenomen en dat diegene rustig kan vertrekken.’
Ongezien
De tot wel zes meter hoge palen worden gemaakt uit de plankwortel van een mangrovenboom. ‘De boom staat eigenlijk op z’n kop, waardoor het uiteinde van de wortel als een soort vlag aan de bovenkant hangt. Dat wordt ook wel de penis genoemd, wat voor vruchtbaarheid staat. Als iemand overlijdt, ontstaat er een gat in de samenleving. Dat verlies moet je weer goedmaken.’
Door de hele tentoonstelling heen hangt ook hedendaagse kunst van Papoease kunstenaars waarin ze de huidige misstanden op het eiland bespreken. ‘Dat gaat onder andere over de grote Indonesische militaire aanwezigheid: de gewelddadigheid en het neokolonialisme. De situatie is heel heftig momenteel. Ook gaan sommige kunstwerken over de mijnbouw naar goud en de palmolieplantages die de omgeving en hun cultuur vernietigen.’
Vanwege het activistische karakter staat er niet expliciet bij waarover de kunst gaat. ‘Dat is voor de kunstenaars niet veilig. Je ziet in het werk wat ze willen vertellen en kunt daar zelf een interpretatie aan geven.’
Veys vindt het belangrijk dat de rijke geschiedenis en de veerkracht van de Papoea’s benadrukt wordt in de tentoonstelling. ‘Papoea’s in Nederland voelen zich nog vaak ongezien. Ze voeren al heel lang een gevecht om onafhankelijkheid en ook daarin worden ze niet erkend. Dus ik hoop dat ze door deze tentoonstelling wat meer gezien en erkend worden.’
Wereldmuseum Leiden, Tijd voor Papoea, 13 februari 2026 t/m 3 januari 2027, €16,- en €11,- voor studenten