Cultuur
Marcel van Roosmalen: ‘Mopperen is mijn verdienmodel, dat melk ik uit’
Journalist, columnist en reportagemaker Marcel van Roosmalen wil een fly on the wall zijn. Binnenkort komt hij naar Leiden voor zijn eerste solovoorstelling Ik mag niet klagen. ‘Ik wil me kort op een onderwerp storten en weer doorvliegen naar de volgende drol.’
Sebastiaan van Loosbroek
donderdag 10 september 2026
Foto Martin Dijkstra

Marcel van Roosmalen (58) en de verslaggever van dienst hebben een bijzondere overeenkomst: ze woonden – weliswaar in verschillende periodes – twee straten bij elkaar vandaan in het Gelderse Velp, dat tegen Arnhem aan ligt geplakt. En ze zaten allebei op dezelfde basisschool: de Roncalli. ‘Mijn ouders hebben me daar alleen van af gehaald’, vertelt Van Roosmalen in café Mojo in Amsterdam-Oost. ‘Ze vonden de Fredericusschool beter.’

Van Roosmalen heeft in zijn columns geregeld afgegeven op het dorp van zijn jeugd. Vooral de jaarlijkse Velleper Donderdagen, drie zomerse donderdagen waarop het kleine centrum verandert in een braderie, moeten eraan geloven.

‘Mijn vader werkte bij de Provincie Gelderland, en ooit zei een collega tegen hem: je moet een huis kopen in Velp. Dus dat deed hij in 1969. Ik was toen net geboren. We gingen in de straat Kosterijland wonen, in een kleinburgerlijke wijk. Velp wordt bepaald door de spoorlijn die er doorheen loopt: je hebt Velp-Noord en Velp-Zuid. Dat zijn eigenlijk twee verschillende dorpen. Noord is een prachtige villawijk, Zuid is voor de arbeiders. Wij woonden in Zuid.’

Kun je je nog in Velp vertonen?
‘Mijn kritiek op Velp komt uit liefde. Daar kunnen ze wel tegen een stootje. De Velleper Donderdagen zijn gewoon echt kut, maar daar staan wel cultplekken tegenover: café De Sok is legendarisch, automatiek Bert Beursken heeft de lekkerste bamibal van de wereld. Frans Bauer kwam daar na een optreden in Gelredome vaak een doos van halen. En er zijn veel bejaarden.’

Je hebt met je gezin ook in Wormer gewoond, boven Zaandam. Jij en je vriendin Eva Hoeke vonden het er verschrikkelijk en hebben er zelfs een show over gemaakt. Hoe erg worden jullie daar gehaat?
‘In Wormer trokken ze het zich allemaal persoonlijk aan. Dan werden ze venijnig of praatten niet meer met je. Velpenaren zijn veel slimmer; die kunnen daar om lachen.’

Je hebt over de inwoners gezegd dat het beperkte mensen zijn. Misschien waren ze beledigd?
‘Is dat een belediging of een beschrijving?’ Na een korte stilte: ‘Ik ga nog even een koffie bestellen op kosten van Mare.’

Waarom zijn jullie überhaupt in Wormer gaan wonen als het er zo verschrikkelijk is?
‘Geldgebrek. We moesten weg uit Betondorp omdat de huur steeds werd verhoogd. Het was klein, we kregen nog een baby. Op een gegeven moment zagen we in Wormer een soort Pippi Langkous-huis dat we nog konden betalen ook. Er zat alleen wel een addertje onder het gras: de omgeving. Waarom zijn die mensen zo trots op hun leefgebied? De Zaanse Schans bestaat uit een rij bewust bij elkaar gezette molens!’

Marcel van Roosmalen in een notendop

Marcel van Roosmalen werd geboren in de Arnhemse wijk Presikhaaf en groeide op in het naastgelegen Velp. Na de middelbare school volgde hij verschillende opleidingen. De deeltijdopleiding journalistiek in Tilburg maakte hij af. 

Vervolgens verhuisde hij naar Amsterdam en begon hij als journalist bij HP/De Tijd. In 2002 debuteerde hij met het boek Op pad met Pim, een bundel reportages waarvoor hij de politieke campagne van Pim Fortuyn volgde. 

Naast het schrijven van reportages, maakt hij podcasts. De bekendste is De Krokante Leesmap van de NPO, waarvoor hij met collega’s tijdschriften en bladen analyseerde. 

Sinds 2021 presenteert hij tv-programma Media Inside met Gijs Groenteman, dat sinds 2023 Van Roosmalen & Groenteman heet. Daarin bespreken ze met gasten de afgelopen mediaweek. 

Daarnaast heeft hij met zowel Groenteman als zijn partner Eva Hoeke theatervoorstellingen gemaakt. In 2026 startte hij zijn eerste solovoorstelling Ik mag niet klagen. 

Voor NRC schrijft Van Roosmalen wekelijks twee columns.

‘Ik adoreer Amsterdam – waar we nu weer wonen – helemaal niet, maar als je zeven jaar op een vreselijke plek als Wormer hebt gewoond, dan verlang je er wel naar terug hoor. Toen we uit Wormer weggingen, nodigden we het hele dorp uit op ons afscheidsfeest. Er kwam alleen niemand.’

Je komt met je eerste solotheatervoorstelling Ik mag niet klagen naar Leiden. Maar niet klagen is voor jou best lastig.
‘Ik heb niet de vrolijkste uitstraling, maar het valt best mee. Ik krijg juist vaak het compliment dat ik opgeruimd ben. Ik heb de naam een mopperpot te zijn en dat cultiveer ik. Onlangs heb ik nog een kinderboek geschreven: De moppermeisjes. Het is toch mijn verdienmodel, dus ik dacht: ik melk het uit. Nu is het vuur heet, doe het voor het dooft.

‘De voorstelling gaat over mezelf en hoe ik geworden ben tot wie ik nu ben. Het is een experiment. Ik ben geen cabaretier, ik heb te veel introspectie om een grappenmaker te zijn en ik heb een hekel aan mensen die zich uitsloven. Dus ik probeer die anderhalf uur te vullen met zo min mogelijk mimiek. Het is het spannendste wat ik in jaren heb gedaan. Maar ik groei erin; wie nu een kaartje koopt, heeft een veel betere show dan maanden geleden.’

Wat vind je van Leiden?
‘Het is net als de grachtengordel, maar dan minder goed onderhouden. De vervallen huisjes vallen me op. Er heerst een soort liberale sfeer, een beetje ballerig. Als je in zo’n bijzonder winkeltje komt, weten ze zelf ook dat ze een bijzonder winkeltje zijn. Het is een stad waar ze zichzelf niet onderschatten.’

Voor het tv-programma Van Roosmalen op reportage trok je door heel het land. Sinds dit jaar zijn je reportages te zien op je YouTube-kanaal Daar gaan we weer. Waarom?
‘Voor het tv-programma is geen budget meer. Daar zijn ze bang geworden voor saaiheid. Dus toen dacht ik: ik ga het helemaal zelf doen. Nu kan ik écht onvoorbereid op pad gaan, een risico dat ze bij de tv niet willen nemen. En ik ga nog een stapje verder: ik wil er niet in knippen en vertrouwen op mijn improvisatievermogen.’

Hoe verdien je daaraan?
‘De reportage is aan inflatie onderhevig: heel veel mensen willen niet in beeld. Maar zo hebben we juist een nieuwe vorm van sponsoring ontdekt: mensen die niet in beeld willen, krijgen een roze vlak over hun gezicht met daarin de naam van onze sponsor, Pockies, van die herenonderbroeken. Ik heb dat bedrijf in dit café leren kennen.’

‘Ik ben geen mensenredder en heb niet de illusie dat ik iets kan veranderen’

‘Ik ga proberen ook andere merken zich ervoor te laten interesseren. Waarom zou dit niet commercieel uit te melken zijn? En je kunt natuurlijk ook heel veel YouTube-abonnees vergaren.’

Je reportagestijl is onverschillig, apolitiek en cynisch. Wil je nooit iets maken met (meer) maatschappelijke impact?
‘Nee. Ik moet er niet aan te denken dingen te agenderen. Ik wil een fly on the wall zijn, dat vind ik het leukst. Ik voel me geen mensenredder en heb niet de illusie dat ik iets kan veranderen. Ik wil me kort op een onderwerp storten, waarna ik weer doorvlieg naar de volgende drol. Dat is het.

‘Ik wil het gewone Nederland ontsluiten. Als je mijn hele oeuvre bij elkaar telt, is dat zo ongelooflijk veel, dat ik een stukje geschiedenis van Nederland heb geschreven.’

Je houding maakt het wel lastig te onderscheiden wanneer je iets meent en wanneer iets een act is.
‘Wat je ziet, is echt. Ik kijk cynisch en met een zekere reserve naar de wereld, maar niet verbitterd. Dat is altijd al zo geweest: als kind vond ik Velp lelijk, ik vond dat mijn vader een kutbaan had. Wonen op Kosterijland is niet leuk.’

Je bent ook columnist voor NRC. Voel je je daar wel thuis?
‘Op borrels staan de redacteuren vooral met elkáár te praten. Als columnist ben je een buitenstaander. Je giet een paar wijn naar binnen, loopt een beetje rond, staat raar te lullen en komt poepverward halfdronken thuis. Maar ik vind het juist leuk om bij deze krant te zitten, omdat ik er niet helemaal pas. Ik ben daar wel trots op. Ze geven me de vrije hand en ik heb van niemand last. NRC is een heel mooi merk, al verdenk ik een groot deel van de redactie ervan dat ze liever bij de Volkskrant zouden werken.’

In 2017 interviewde ik je partner en columnist Eva Hoeke. Ik…
‘Ja, dat zei je al aan de telefoon. Ze zei me dat ze zich er niks van herinnert.’

Ik vroeg haar toen wie van jullie beter schrijft. Ze antwoordde: ,,We zijn anders. Marcel is van de onderkoelde, cynische humor. Hij kan naar personen uithalen, hen in een column fileren en het menselijk tekort scalperen. Zo ben ik niet. Ik heb een meer weemoedig oog en denk vaak: ach, die kan er ook niet zo veel aan doen.’ Heeft ze gelijk?
‘Ik vind dat zij stilistisch beter schrijft dan ik. Maar we herkennen onszelf wel in elkaars gevoel voor humor.’

Ze zei ook dat zij een leuker mens is dan jij.
‘Oh, is dat zo? Dat zal misschien ook wel kloppen.’

Wie heeft thuis de broek aan?
‘Wat een rare vraag. We dragen allebei broeken. Zij denkt dat zij de baas is, en ik denk… nou, zij is wel de baas. En onze drie dochters van elf, tien en vijf zijn natuurlijk de grootste baas van allemaal. Ze hebben ook al een cynische kijk op de wereld en een goed gevoel voor humor.’

Heb je nog dromen?
‘Ik wil hierna nog een theatershow maken. En ik wil dat mijn reportagekanaal heel groot wordt, dat Van Roosmalen en Groenteman doorgaat op tv, ik wil een heel mooie roman schrijven. Eigenaar worden van een voetbalclub lijkt me ook wel wat. Voor Mare een mooie reportage schrijven over de schaduwkant van Leiden. Al hangt dat van de beloning af.’

Na het interview vraagt Van Roosmalen of hij een lift kan krijgen. Als hij het autoportier opent, wordt hij herkend door twee klusjesmannen die iets uit hun bus pakken. ‘Hé’, roept een van hen. ‘Woon jij nog in Wormer? Mijn collega hier komt uit Wormerveer!’

Van Roosmalen, direct tegen de collega: ‘Wat zul jij blij zijn dat je even een klus hebt in Amsterdam.’ De twee lachen schaapachtig, waarna ze hun blik weer in hun klusbus werpen.

Marcel van Roosmalen, Ik mag niet klagen. Leidse Schouwburg. Donderdag 24 september, 20.15 uur. € 27,50