Achtergrond
Eindelijk lezen ZONDER TE STREPEN
Hij functioneerde het beste op het randje van overspannenheid, maar ‘ging er helaas ook wel eens overheen’. Na 23 jaar gaat hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Ton Anbeek met emeritaat. ‘Literatuur moet hier altijd zo ernstig zijn.'
donderdag 22 september 2005
‘Wij zullen de komende jaren een heel lastige tijd doormaken.’ Met die woorden richtte Ton Anbeek zich in 1982 tot de studenten die bij zijn oratie aanwezig waren. De nieuw aangetreden hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde doelde op de nieuwe ‘tweefasenstructuur’, resultaat van een andere manier van denken over de universiteit. ‘De maatschappij ziet die niet langer als een tempel waar wereldvreemde geleerden ongestoord hun gang mogen gaan, maar eenvoudig als een buitengewoon inefficiënt bedrijf’.
Nu, drieëntwintig jaar verder, zijn het vergelijkbare redenen die hem hebben doen besluiten vervroegd met emeritaat te gaan, vertelt hij thuis in Amsterdam. Anbeek (61): ‘Er zijn in de loop der jaren allemaal reorganisaties geweest, ombuigingen, verkapte bezuinigingen, en op een gegeven moment merk je dat je het wel gehad hebt. Die BaMa bijvoorbeeld… Ik denk dat het ongetwijfeld mogelijkheden heeft, maar ook dat ik er het enthousiasme niet meer voor heb. Ik dacht: als ik blijf, dan komt er ongetwijfeld tussen mijn 61e en mijn 65e wéér iets tussendoor. Dat kost me een paar jaar van mijn leven.’
Anbeek studeerde begin jaren zestig in Amsterdam. ‘Dat was in die tijd natuurlijk wel heel erg anarchistisch en doorgeslagen. Mensen die volkomen stoned op college kwamen en dat soort dingen. Achteraf wel grappig. Het was alle dagen feest. Ik zat in een groepje met Charlotte Mutsaers, René Appel, Hans Dorrestein en Tom van Deel.’
Is het niveau van de studenten in de loop der jaren - met de veelgesmade teloorgang van het literatuuronderwijs - afgenomen? ‘De groep waar ik in zat, is eigenlijk geen goede maatstaf. Er studeerden ook een heleboel mensen die helemaal niet zoveel om literatuur gaven. Dit laatste jaar in Leiden gaf ik college aan studenten die van ongelooflijk hoog niveau waren. Ik had daar vier, vijf mensen bij die echt briljant waren. Die hebben mij overigens zeer ontroerd door mij feestelijk uit te zwaaien met een boottocht door de Leidse grachten. Daarna hebben we nog tot laat in de avond zitten discussiëren in een restaurant in een kelder, god weet waar, over de oprichting van een nieuw tijdschrift en wat daar de beginselen van zouden moeten zijn. Kijk, dan denk je: er is toch eigenlijk niks veranderd. Die studenten zijn er nog steeds, en hun opleiding is misschien niet meer zo degelijk, maar de gretigheid is er wel. En zolang er studenten zijn en zulke blaadjes die worden opgericht, al dan niet met succes, dan klaag ik niet.’
Na zijn afstuderen kreeg hij een baantje als docent, nog altijd in Amsterdam, waar de colleges zich in het café voortzetten (vrienden noemden hem ‘de Apollo van De Doffer’). ‘Ik moet er nu niet aan denken. De hele avond staan. In de rook. En bier drinken. Drie dingen die ik absoluut niet meer kan of wil.’
Ieder jaar kwam er een vakantiekaartje binnen van Sötemann, Anbeeks vroegere leraar Nederlands op het gymnasium in Utrecht en inmiddels hoogleraar in die stad. ‘Daar stond dan altijd drs. voor mijn naam, met de –s onderstreept. Toen dacht ik: het moet er maar een keer van komen.’ Dus ging hij promoveren, bij Sötemann, in Utrecht, waar hij een baantje kreeg.
‘Ik voelde me daar niet onmiddellijk heel erg gelukkig’, bekent hij. Toen hij vanuit Leiden benaderd werd om hoogleraar te worden was hij zeer verbaasd. ‘In Utrecht zeiden ze altijd: Leiden houdt niet van Amsterdam. Dat waren van die absurde statements van Utrecht. Ik had geen enkele reden om niet van Leiden te houden en volgens mij had Leiden ook geen reden om niet van mij te houden. Ik ben toen gaan praten en dat beviel me goed. Ik was dolgelukkig dat ik op deze eervolle manier uit Utrecht weg kon.’
Toch bleef hij in de hoofdstad wonen. Nooit overwogen om een pand aan het Rapenburg te kopen? ‘Frans Kellendonk heeft geschreven dat het Rapenburg de mooiste gracht in Europa is. Als je daar langsloopt denk je inderdaad: wat een mooie gracht, dat kan echt concurreren met de Herengracht en de Keizersgracht hier. Maar ja, dan zitten daar al die studenten, op uit oude 2cv’s gesloopte autobanken, en uit het huis dat zij kennelijk in bezit hebben, knalt de muziek. Stel je toch eens voor dat je op een dag een huis koopt, en je ontdekt dat je naast zo’n dispuut bent komen wonen. Dat is een ramp! Verder hou ik veel van film. In dat opzicht is Amsterdam toch superieur.’
Wat was het hoogtepunt uit die drieëntwintig jaar hoogleraarschap? ‘Een van de hoogtepunten was, gelukkig, dat laatste jaar. En een van de dingen die ik me altijd zal herinneren dat was het gastschrijverschap van Gerard Reve.’
Dat was in 1985. Reve opende de reeks gastschrijvers. Zijn openbare lezing in de Pieterskerk, later uitgegeven als Zelf Schrijver Worden, eindigde zelfs met een handgemeen. ‘Wat me trof, was het merkwaardige feit dat iemand zo zeer gelijk is met de persoon die hij ook op papier is. Bij veel schrijvers zit daar een groot verschil tussen. Reve was zeer authentiek. Die merkwaardige mengeling van banaliteit en verhevenheid. Het ene moment kon hij flauwe moppen maken en vervolgens werd hij stil als er in een college een meisje een voordracht over een van zijn werken hield. Dan zei hij tegen me: ‘Maar dat is Maria… dat is Maria!’ Hij geloofde dat dan ook echt. Of hij belde me op zaterdagochtend op, volkomen dronken: ‘Het is toch waar wat de encyclopedie zegt, professor? Het is toch waar, dat ik niet ben weg te denken uit de Nederlandse literatuur?’
Niet zelden gaf Anbeek ook een polemische en provocerende invulling aan zijn hoogleraarschap. Zo riep hij op tot meer engagement en straatrumoer in de literatuur. ‘Tegenwoordig is dat toch wel meer een tendens. Na de moorden op Fortuyn en Van Gogh is het niet meer mogelijk een boek te schrijven over de stormen in je eigen navel. Dat doen mensen ook niet meer.’
Citaat uit een artikel over Leon de Winter: ‘Het is een merkwaardig land waar “leesbaarheid” als een negatief criterium kan worden gehanteerd. In Engeland zou een criticus die deze “norm” gebruikte, zich tot de risee van de natie maken.’
Het Nederlandse ‘hoe gelaagder hoe geslaagder’ uit die tijd wijdt hij onder meer aan de ‘doorgeschoten subsidiecultuur.’
‘Zet het eens af tegen de Amerikaanse schrijvers. Dat zijn auteurs die nachtportier zijn geweest, en allerlei andere baantjes hebben, en ondertussen aan The Great American Novel schrijven. Dat geeft ze toch een drang die bij veel mensen die ieder jaar weer plichtmatig een boek afleveren niet zo aanwezig is. We zullen geen namen noemen deze keer. Alleen in positieve zin: zo’n man als Philip Roth. Bij hem voel je die drang, dat hij echt betrokkenheid heeft, bezeten is van die Amerikaanse maatschappij en daar grote kritiek op heeft. Dat zie je in Nederland langzaam ook komen. Een beetje een kosmopolitisch element, daar ontbrak het lange tijd aan.’
Zelf doceerde Anbeek, vlak voor zijn komst naar Leiden, een jaar in de Verenigde Staten. ‘Vrijwel alle dingen die ik daar heb zien gebeuren zijn later allemaal naar Europa gekomen. Had ik een beetje van het zakentalent van mijn vader gehad, dan was ik hier een fitnessclub begonnen en was ik nu multimiljonair en waarschijnlijk doodongelukkig. Het is een mysterieuze maatschappij, de Amerikaanse. Enerzijds is het er veel beleefder, er wordt bijvoorbeeld keurig auto gereden, en tegelijkertijd is het veel en veel harder. Had je niet zoveel boeken gepubliceerd, dan vloog je er uit en kon je op je 35ste, getrouwd en drie kinderen, taxichauffeur worden.’
Polemisch was misschien ook het statement dat literatuur niets meer is dan ‘een sublieme vorm van amusement’. Ziet hij geen hogere taak voor de literatuur weggelegd? ‘Kijk, die vergoddelijking van de literatuur vind ik een romantische fictie. Het idee dat het ook vermaak is, zie je ook bij Voltaire of bij Menno ter Braak. Mensen hebben allemaal een hard leven, dus literatuur mag ook best amuseren, door taalgebruik, door humor. Kijk naar Philip Roth, die ook een zeer amusante auteur is, evenals John Updike. Ze prikkelen de lezer ook op een prettige manier. Dat mis ik vaak in de Nederlandse literatuur. Het moet hier altijd zo ernstig zijn. Daarom vind ik iemand als die Grunberg zo’n enorme aanwinst. Daar moesten er tien van zijn, dan zou het Nederlandse literaire klimaat aanzienlijk verbeterd zijn. Die gekte, en hij presteert het steeds weer om elk jaar zo’n boek te schrijven.’
Zelfs schreef Anbeek drie romans: Gemeenschap (1987), Sisyfus verliefd (1989) en Een ander leven (1992). ‘Achteraf gezien is mijn hoogleraarschap daarbij een vreselijke stoorzender geweest. Het stond ook niet op die boeken, maar de critici dachten: hij wil laten zien hoe het moet. Zo begon elke recensie die kraakte. Als ik de eerste zin las dan wist ik het al. Terwijl ik nooit iets anders gewild heb dan de boeken schrijven die ik zelf heb willen lezen.’
Zijn grootste wetenschappelijke werk publiceerde hij in 1990: een Nederlandse literatuurgeschiedenis van de periode 1885 tot 1985, een krachttoer waar een tijd van overspannenheid op volgde. Maar, zo zei Anbeek eerder tegen Mare: ‘Ik functioneer het beste op het randje van overspannenheid.’
Nu: ‘Helaas ging ik ook wel eens over dat randje heen. Maar inderdaad. Zoals Sartre altijd pepmiddelen gebruikte, zo heb ik dat zonder die middelen te gebruiken. Je leeft dan in een raar soort bezetenheid.’
Die was het sterkst bij het schrijven van zijn studie naar romantische obsessies in de Nederlandse literatuur, Het donkere hart (1996). ‘Dat boek schreef ik met bezetenheid, in een romantische roes. Ik denk daar met veel plezier aan terug.’
Vanwaar de keuze van dit onderwerp? ‘Je ziet dingen bij auteurs die je aan de ene kant aantrekken, en aan de andere kant irriteren. Een heleboel mensen zien Turks Fruit als een boek dat typisch jaren zestig is, met vitaliteit en vrije seks enzovoorts. Daarbij hebben ze ongetwijfeld de film in hun achterhoofd, met de wat mij betreft onsterfelijke Monique van der Ven. Maar het boek is uiteindelijk de totale overwinning van dood en verderf. Waar komt dat element vandaan? Dan ga je Wolkers lezen en dan zie je dat hij veel van Edgar Allen Poe hield. Dan zie je die lijnen komen. Deskundigen van de negentiende eeuw zeggen dat die romantiek in Nederland alleen maar geklapwiekt heeft en nooit van de grond gekomen is, maar in de twintigste eeuw zie je dat zij in volle omvang aanwezig is.’
‘Het donkere hart is het snelste verramsjt van allemaal. Ik vond dat jammer, want het was het minst schoolse boek. Misschien heb je ook altijd een zekere liefde voor het werk dat door anderen het minste wordt erkend.’
Een aantal jaren geleden maakte Anbeek samen met zijn collega’s Jaap Goedegebuure (zijn huidige opvolger) en Harry Bekkering een spraakmakende lijst van titels die tot de canon zouden moeten behoren. Moet de canon verplicht opgelegd worden? ‘Ik moet eerlijk zeggen dat ik op dat punt echt heel anders ben gaan denken. Die beruchte lijst was ook niet meer dan een aanzetje, maar het idee van een lijst die je moet lezen, daar ben ik vanaf gestapt, zeker als vader van een dochter die de middelbare school bijna doorlopen heeft en die vertelt over het lezen in zo’n klas. Ik geloof veel meer in stuksgewijze raadgeving. Dat zo’n leraar zegt: jij houdt toch van dat soort boeken, dan zou je die schrijver eens moeten proberen. Ik heb de grootste bewondering voor de middelbare schoolleraar die er in slaagt om een leerling te laten lezen en enthousiast te maken.’
Wat volgt er nog na het emeritaat? ‘Het laatste jaar is er een grote hoeveelheid recensies verzameld. Daar wil ik wel iets mee gaan doen. Het plan is om eerst drie maanden naar Italië te gaan. Ik ben gevraagd om te doceren in Padua.’
En daarnaast: ‘Alle boeken lezen die nog liggen te wachten en alle boeken schrijven die nog in mijn hoofd zitten. Daar heb ik nog wel drie levens voor nodig. Ik hoef me niet te vervelen. Als ik een Nederlands boek lees, heb ik toch altijd wel een potloodje erbij om de slechtste passages aan te strepen. Als hoogleraar ben je altijd ook een professionele lezer. Amerikaanse of Italiaanse literatuur las ik veel vrijblijvender. Aan dat laatste kan ik mij nu helemaal overgeven.’
Hoe kijkt hij terug op zijn hoogleraarschap? ‘Op het punt van al die bestuurlijke taken, en hoe alle verschillende functies van een hoogleraar met elkaar tegen gaan werken, denk ik: had ik me misschien niet meer moeten verzetten tegen bepaalde dingen? Dat zijn de nare aspecten. Maar toen ik een keer aan mijn dochter moest uitleggen wat ik nu eigenlijk precies deed voor de kost… Ja, dan besef je wel dat het de mooiste baan is die je hebben kunt: boeken lezen en er over schrijven.’
Afscheidscollege Ton Anbeek: ‘De jaren zestig en de Nederlandse literatuur of: Is cultuurgeschiedenis mogelijk?’
Academiegebouw, Groot Auditorium
dinsdag 27 september 2005, 16.15 u
Lees ook
Achtergrond
RIP colleges, scripties en tentamens? Hoe AI het onderwijs gaat veranderen (deel 2)
Achtergrond
De fraudeur zit in je broekzak: hoe moet de universiteit omgaan met AI? (deel 1)
Achtergrond
Zeventig studenten staan straks met beide benen in de modder
Achtergrond
PhD’er Donna schildert in recordtempo promoties: ‘Hierna word ik volledig kunstenaar’