Het was een mourning, een moppermorgen waarop je het liefst met rochels van regendruppels in je nek zou wegstromen in de dichtstbijzijnde trottoirput, om verstoten uit het daglicht in de diepste rioolstanken, samenzwerend met een schare onooglijke ratten als de verworpenen der aarde, de mensheid en al haar uitwassen te vervloeken.
Maar toch kreeg ik het miraculeus voor mekaar om én mijn lunch te smeren én mijn trein te halen én mijn collegezaal te vinden. Opgemonterd wilde ik mijn hier-heb-je-je-herniastoeltje uitklappen om het college te volgen, maar de overwinning op mijn slechte ochtendhumeur liep toch uit op een veni, vidi, foetsie.
Ik had mijn huiswerk niet gemaakt, herstel: mijn studiemateriaal niet voorbereid. Als dodelijke blikken zag ik plots de gepikeerde fronsgezichtjes van mijn huiswerkverzuimende nablijvers voor me dansen. In hun ogen lag het vurige verwijt der hypocrisie. Hoe kon ik nu zo’n belabberd voorbeeld geven, van mijn leerlingen eisen wat ikzelf niet nakom? Is dat niet Morals 101, abc-ethiek, de klassieke gulden regel?
Een diepe zucht van vertwijfeling besloeg mijn laptopscherm, en terwijl de condens geleidelijk wegtrok, kwam er tegelijkertijd klaarte in mijn geweten: ik zou mijn plichtsverzaking aangeven bij de docent. Dat was toch wel het minste wat ik kon doen.
Nadat ik een weinig theatraal en zo zakelijk mogelijk mijn nalatigheid had beleden en mijn mea culpa had uitgesproken, was het antwoord een behoorlijke anticlimax.
‘Dat is niet erg. Ik ga er niet vanuit dat jullie alles lezen, dat je aanwezig bent en meedoet is al voldoende.’
Zo’n flauwe reactie had ik moeten zien aankomen, want er is bijkans geen meester Pennewip binnen de uni te bekennen die ons als postpukkelpubers hardhandig durft aan te pakken en ook maar een greintje meer discipline eist dan in de cursushandleiding veilig en formeel vermeld staat.
Nu lijd ik niet voldoende aan masochisme om mezelf boetvaardig met extra werk te belasten en eerlijkheidshalve vraag ik bij eigen verzuim geen compensatieopdrachten aan (helaas ben ik dus toch die hypocriet), maar het contrast tussen de strafcultuur van onze middelbareschooltijd en onze studententijd is werkelijk schrikbarend groot.
Als ik terugdenk aan alle colleges die ik acht jaar lang heb gevolgd, kon ik zonder problemen totaal onvoorbereid komen aankakken, zonder dat dit ook maar de geringste consequenties had. En als een dappere docent ernaar vroeg, was elke zin met het woordje ‘stress’ erin al genoeg om een meewarig knikje van begrip te ontlokken.
Wordt dit nu een oproep tot een zero-tolerance-controlebeleid tot een rector die het docententeam à la Bint van F. Bordewijk toespreekt: ‘Men moet ver teruggrijpen en snel, naar het oude systeem van macht en vrees. Dit oude is het nieuwste, het beste, het enige. Ik eis: een-stalen-tucht. Nu ga’?
Nee bedankt, zo’n machtssysteem heeft in de geschiedenis niet tot de meest humane praktijken geleid, dus laten we dat niet nog eens proberen.
Maar hoeveel ongerief het onderwerp studiediscipline ook oplevert, het is een te belangrijke voorwaarde voor onze onderwijskwaliteit om het volstrekt te negeren. Het is een wereld van verschil of je als docent een werkgroep leidt die zich netjes heeft voorbereid, of ter plekke om de titel van het te bespreken hoofdstuk moet vragen.
Bovendien is het hele doel van een werkgroep juist die diepgravende discussie over de stof. Verdieping, verbreding, verrijking. Als je kortom verzaakt in de voorbereiding ben je niet alleen sneu je tijd aan het verspillen, maar steek je ook nog eens een dikke middelvinger op naar je studiegenoten.
En de gedachte dat we als studenten volgroeid en wel onze boontjes kunnen doppen nu ons levensgetal boven de achttien uitkomt, is eerder het probleem dan de oplossing, want onder het zalige zegel van volwassenheid, kleeft heel wat kinds gestuntel. Dus geef ons alsjeblieft een strengere studietucht. Geen stalen, wel van elastiek graag.
Henrik Laban is docent Nederlands en volgt de lerarenmaster