Achtergrond
Toen ze Aad vonden was de verf nog nat. Hoe drie Leidse broers de kunstwereld bestormden
Met toegankelijke schilderijen leken Gijs, Justus en Aad Donker de wereld te veroveren. Tot in de Verenigde Staten toverden de Leidse broers galeries om tot zwijnenstallen waarin ze naakt stonden te schilderden. Maar toen kreeg Aad liefdesverdriet en begon hij zijn broers te vertellen dat de CIA hem achtervolgde.
Frank Provoost
donderdag 19 mei 2022
Het laatste zelfportret van Aad Donker, 1998, 57 x 54 cm.

‘Het is een prachtig, maar ook diep treurig verhaal’, zegt Justus Donker. ‘We begonnen net aan de top te komen.’

‘Alles zat mee’, zegt zijn oudere broer Gijs Donker. ‘We waren heel brutaal en wisten onze plek te veroveren. Dat is een ijsbreker waarmee je je hele leven vooruit kunt.’

Justus: ‘Ik ben nog steeds kwaad op Aad. Ik kan niet accepteren dat hij het heeft gedaan. Het is een rotstreek.’

Gijs: ‘Ik ben overal geweest: artsen, politie, psychiaters. Overal hoorde ik hetzelfde: nee meneer, hij moet zich vrijwillig melden of aantoonbaar gevaar voor zichzelf of anderen vormen. We konden niks beginnen.’

Justus: ‘Dit was niet de afspraak. Als pubers hebben we het er uitgebreid over gehad: zelfmoord mocht alleen als je opeens je naasten verloor - als je vrouw en kinderen bijvoorbeeld omkwamen bij een auto-ongeluk. Maar niet om een fucking liefdesverhaal.’

Het prachtige-maar-diep-treurige verhaal van de Leidse broers Donker gaat over drie musketiers die met penselen de wereld wilden veroveren en dat aardig voor elkaar leken te hebben.

In 1990 traden Gijs (1964), Justus (1966) en Aad (1967-1998) toe tot het kunstenaarscollectief After Nature, dat in 1987 was opgericht door schilders Peter Klashorst, Jurriaan van Hall en Bart Domburg en zich fel tegen conceptuele kunst keerde. Met hun toegankelijke schilderijen exposeerden ze tot in de Verenigde Staten. Vaak maakten ze het werk ter plekke op tentoonstellingen en trokken daarbij hun kleren uit.

Onlangs verscheen het lijvige naslagwerk Aad Donker & After Nature, geschreven door Menno Voskuil. Dinsdag spreekt Gijs Donker in de Lokhorstkerk over hun werk. In december volgt er een overzichtsexpositie in het Katwijks Museum.

‘Gijs is de wijste. Ik ben de ruigste. Maar Aad was de liefste. Hij was gewoon een schat. Een grote, lieve beer’

De gebroeders zijn gebrouilleerd met elkaar. ‘We maken ruzie om niks’, verklaart Justus. ‘Gijs vindt mij een halve mongool met Korsakov. Dat heb ik waarschijnlijk ook. Ik ben op mijn achttiende in een grote ketel met coke en dope gevallen, en zit nog steeds aan de rotzooi. Er zijn wel twee Mercedessen door mijn neus gegaan, én een grachtenpand.’

Afzonderlijk willen de broers, die altijd zijn blijven schilderen, wel terugblikken. Omringd door schilderijen zit Gijs in zijn tot aan de nok gevuld atelier in een oud schoolgebouw waar Aad vroeger tijdens de les wegdroomde en zijn schriften volkrabbelde met tekeningen. Justus schuift later aan op een terras waar hij eerst een dubbele espresso wegtikt, en daarna een oude jenever.

I. Een koe is een koe

Gijs: ‘Onze vader was uitgever en kwam altijd thuis met dummy’s. Die boeken met blanco pagina’s waren perfect tekenmateriaal. We maakten stripboeken over onze judotoernooien en voetbalwedstrijden.’

Justus: ‘Gijs is de wijste. Ik ben de ruigste. Maar Aad was de liefste. Hij was gewoon een schat. Een grote, lieve beer.’

Gijs: ‘We waren erg aan elkaar gewaagd. Toen ik voor de schoolkrant mocht gaan tekenen, vond ik dat heel wat. Maar ik voelde de hete adem in mijn nek.’

Justus: ‘Aad en ik waren altijd de jonkies.’

Gijs: ‘Toen onze ouders gingen scheiden, werd ik een beetje hun vader. Ik hielp met koken en boodschappen doen. Als mijn moeder naar de avondschool ging, stopte ik mijn broertjes in bed.’

Gijs, Justus en Aad Donker in hun atelier aan het Rapenburg, in 1997. Foto Rene Nuijens

Justus: ‘Aad stotterde altijd heel erg.’

Gijs: ‘Hij zat altijd te hakkelen, was bang om op school een beurt te krijgen en werd daardoor wat teruggetrokken. Hij was allang blij dat hij de mavo haalde. Later ging hij allemaal moeilijke boeken lezen en heeft hij dat met zelfstudie weer ingehaald. Hij was de meest gedrevene van ons drieën.’

Justus: ‘Hij bokste en was berensterk. Ik heb een hoop gasten knock-out zien gaan door hem.’

Gijs: ‘Mijn studie psychologie werd helemaal niks. Ik heb heel lang getwijfeld over de kunstacademie. Hoewel we vrijgevochten ouders hadden, waren we ook wel bang gemaakt met: “Kunst betekent armoede, armoede, armoede.” Toen ik uiteindelijk toch de stap durfde te maken, volgden mijn broertjes al heel snel.’

Justus: ‘Op de academie praatten mensen uren over drie vegen op een doek. We werden helemaal gek van al die lulverhalen.’

Gijs: ‘Conceptuele kunst was maar voor een heel klein groepje weggelegd. Als je jezelf er niet volledig in verdiepte, begreep je er geen klote van. Wij zijn opgegroeid tussen de gewone Leidenaren. Die moesten ons werk ook snappen.’

Justus: ‘We wilden Van Gogh-je spelen en lekker buiten schilderen. Een koeienkop is een koeienkop. Daar kun je uren over ouwehoeren, maar dat hoeft niet, hè? Bij ons zag je gewoon wat het was.’

Gijs: ‘Zo trapten we tegen de elite aan. Gewoon lekker schilderen, niet eindeloos filosoferen.’

II. Een voet tussen de deur

Justus: ‘Aad was de beste van ons drieën. Bij mij ging het nooit zo makkelijk. Ik moest er echt voor strijden. Toen we ons bij After Nature hadden aangesloten zette ik mijn ezel altijd naast die van Peter Klashorst, zodat ik kon afkijken. Krijg de téé-ring-ti-ta-tovenaar eee, zó moet dat dus!’

Gijs: ‘Je moest alles uit de kast halen om een beetje gelijkwaardig niveau te halen. Dat was spannend, maar zo ging je ook vooruit.’

‘Laten we naakt gaan schilderen, dachten we. En hup! Dan gingen alle broeken naar beneden, héérlijk!’

Justus: ‘Het was knallen en smijten. We deden wedstrijdjes wie het eerst klaar was of maakten grote gezamenlijke werken. Dan had je net je best op iets gedaan en dan schilderde er – hop! – zo iemand overheen. Dat werd één grote kliederpartij.’

Gijs: ‘Figuratieve puristen en de pers vonden het compleet klote. Er zat geen idee achter, het was broddelwerk van zondagsschilders. Héél gunstig: je wordt makkelijker berucht dan beroemd. Aan die sappige stukken hebben we veel te danken gehad. Mensen wilden met hun eigen ogen zien hoe slecht het wel niet was.’

Justus: ‘Terwijl alle aandacht groeide, kregen we het advies om van de Kunstacademie af te gaan. Die leraren waren gewoon jaloers op die jonge pikkies.’

Gijs: ‘We hebben het nooit meer afgemaakt. Daardoor bleef het officiële circuit altijd voor ons afgesloten. Ook in de kunst is Nederland een absoluut papiertjesland. Als je er wilt komen, moet je dat diploma hebben. Alle gerenommeerde musea en galerieën vissen uitsluitend uit die vijvertjes. In het vrije-jongen-circuit moet je heel commercieel zijn. En laten we dat nou net niet zijn.’

Justus: ‘Aad wél. Ivo Niehe wilde dat we in zijn tv-programma iemand kwamen naschilderen. Toen de redactie belde, stotterde Aad: ‘Ik h-h-heb gehoord dat de R-R-R-Rolling Stones v-v-v-vijftienduizend gulden hebben gehad, w-w-w-wij willen v-v-v-vierduizend.” Ze betaalden. We werden met limousine opgehaald, en kregen allemaal een smoking.’

Gijs: ‘Het was ongelooflijk dat het lukte, maar Klashorst regelde een expositie in New York, bij Daniel Newburg: een miljardairszoontje die liever ging poloën in Long Island maar als een soort speeltje ook nog een galerie had. Ons geluk was dat al zijn rijke kennissen daar over de vloer kwamen. Hotemetoten als Karl Lagerfeld kwamen gewoon naar ons kijken. Wij wisten niet wat we meemaakten.’

Justus: ‘We toverden de galerie om tot atelier. Dat werd natuurlijk één grote rotzooi, verf tot aan het plafond.’

Van links naar rechts: Justus, Gijs en Aad Donker in de Andrea Rosen Gallery, New York, in 1993. Foto Rene Nuijens

Gijs: ‘We begonnen gewoon met lege doeken. Bezoekers konden binnenlopen terwijl we bezig waren. Nadat het culturele weekblad Village Voice over die gekke Hollanders had geschreven, stond het rampenstampens vol.’

Justus: ‘We mochten in een appartement van de consul verblijven.’

Gijs: ‘Het was een logeeradres van de Nederlandse staat voor dirigenten, klassieke musici en dansers – betaald met belastingcenten van mensen die er nooit gebruik van zullen maken. In die onbetaalbare wijk in 42nd Street woonden allemaal sterren: de dochter van Cher was onze bovenbuurvrouw.’

Justus: ‘We hebben het helemaal uitgewoond. Zeven bijdehante gasten die nachten doorhalen met bier, wiet en paddenstoelen. Alles en iedereen helemaal naar de klote.’

Gijs: ‘Bart Domburg belde er ’s nachts sekslijnen en viel vervolgens in slaap. Dat werd een rekening van duizenden dollars.’

Justus: ‘Toen zijn we er uitgegooid.’

Gijs: ‘Het werd steeds gekker. Op een beurs in Los Angeles dachten we: laten we naakt gaan schilderen.’

Justus: ‘Hup! Alle broeken naar beneden! Aad, Gijs en ik vonden dat héérlijk, maar de rest deed nooit mee.’

Gijs: ‘Het effect was enorm. David Byrne van Talking Heads kwam langs, net als de beroemde schilder David Hockney. We stonden tussen de wereldtop, als attractie weliswaar, maar het was een voet tussen de deur.’

Justus: ‘Een aangekleed model en drie knappe gozers zonder kleren, dat was natuurlijk uitstekende marketing. Op kunstbeurzen, met al die homo’s, liep dat als een tierelier.’

‘Wij dachten dat ze ons werk interessant vonden, maar de kunstwereld is ook gewoon een vleesmarkt’

Gijs: ‘Jong en knap, weet je wat dat doet? De kunstwereld zit vol met mannen die op mannen vallen en vrouwen op leeftijd. Die gingen allemaal plat. Alle poorten gingen open, we waren overal welkom. Wij hadden het eerst niet door en dachten dat ze ons werk interessant vonden. Maar het is ook gewoon een vleesmarkt. Dat klinkt misschien lullig, maar dat moet je wel erkennen.’


III. Achtervolgd, afgeluisterd en vergiftigd

Justus: ‘In New York zijn we die vrouw tegengekomen, Amy. Een vriendin zei over haar: ‘Ze is zo rijk: dat geld krijg je in tien levens niet op.’ Toen dacht ik: shiìììììt.’

Gijs: ‘Ze kwam uit een puissant rijke familie en kreeg een maandelijkse toelage van ruim 30.000 dollar. Omdat al haar uitgaven door boekhouders werden gecontroleerd, had ze ook geld weggesluisd naar een geheime bankrekening.’

Justus: ‘Ik zei tegen Aad: “Als jij haar versiert, kunnen we hier blijven.” En zo is het gegaan. Alleen is hij helemaal gek van haar geworden, die lijperd.’

Gijs: ‘Ze waren smoorverliefd en zouden gaan trouwen. Maar toen wij weer in Nederland waren, werd het huwelijk plotseling afgeblazen, via de telefoon.’

Justus: ‘Ik voel me nog steeds schuldig, want ik had Amy destijds als eerste versierd en was met haar naar bed geweest, maar wilde mijn vriendin in Leiden niet in de steek laten. Als ik toen niks tegen Aad had gezegd, was al die flipshit misschien helemaal niet gebeurd, verdomme.’

Gijs: ‘Na dat telefoongesprek was Aad zo ontdaan dat ik hem niet herkende. Hij lag helemaal wit weggetrokken te hyperventileren. Hij was nauwelijks aanspreekbaar en had een heel andere blik in zijn ogen. Ik denk dat hij toen al in een psychose zat.’

Gebroeders Donker, zelfportret, 1995, 95 x 110 cm

Justus: ‘Na een avond stappen zat hij bij mij achter op de fiets, en zei: “Zie je die kleur roze? Da’s niet goed, da’s gevaarlijk.” Dat was de eerste keer dat ik dacht: wat raar. Daarna ging hij beweren dat hij werd afgeluisterd door de CIA.’

Gijs: ‘Ik liep ons atelier binnen aan Rapenburg 48, en dacht dat er bezoek was, want ik hoorde verschillende stemmen. Toen zat hij keihard tegen zichzelf te lullen. Ik dacht: mijn broer is gek geworden. Hij ging alles indelen in goed en kwaad. Dat zag hij aan de kleinste dingen, bijvoorbeeld een nummer op een T-shirt. Sommige dagen was hij helemaal in het wit gekleed, of dan weer in het zwart.’

Justus: ‘Als je hem niet geloofde, werd hij kwaad.’

Gijs: ‘In het begin ging ik heel erg in de ontkenning. Stom, want ik hoorde later van een psychiater dat je toch een beetje moet meegaan om het vertrouwen te houden. Er tegenin gaan, zorgt juist voor meer verwijdering. Daardoor ging hij mij ook als vijand zien.’

Justus: ‘Hij had gewoon geholpen kunnen worden natuurlijk. Het is zo jammer dat het niet gebeurd is.’

Gijs: ‘Ik heb het vaak genoeg geprobeerd, maar het was hopeloos. Aad vertrouwde niemand en was zo sterk dat je hem niet even aan de arm kon pakken, zelfs met zijn tweeën lukte dat niet. Twee weken voor zijn dood lukte het me om hem mee te krijgen naar een intake-gesprek. De kalmeringspillen gooide hij al weg voordat we weer de auto instapten. Hij zei: “Zij proberen me ook al te vergiftigen.”’

‘De laatste keer dat ik hem zag hebben we gevochten. Toen had ik ineens een hamer in mijn hand’

Justus: ‘Of hij liep weg. Dat vond-ie het toch te eng.’

Gijs: ‘Toen hij weer helemaal van het padje was, lukte het eindelijk om hem naar de eerste hulp te brengen. Toen we aankwamen stonden er twee dokters in witte jassen buiten te wachten. Ik zie hem nog sprinten over dat terrein. Weg was-ie.’

IV. Een lange reis

Justus: ‘Ik woonde met mijn zwangere vrouw in Groningen, toen Aad bij ons logeerde. ’s Nachts dwaalde hij door het huis en zei: “Jij bent de vijand!” Ik had tegen de zon ingekeken: aan mijn ogen had hij gezien dat ik bij de duivel hoorde. Ik was zo bang voor hem dat ik zó’n fucking mes achter mijn rug hield, en riep: “Aad, ik hou van jou, maar ik kan dit niet aan! Je moet gaan!” Dat was zó eng.’

Gijs: ‘De laatste keer dat ik hem zag, hadden we ruzie. Dat liep zo gruwelijk uit de klauwen dat het vechten werd. Omdat Aad zoveel sterker was, moest ik me zien te verweren. Voordat ik het wist, had ik ineens een hamer in mijn hand. Echt, superkut. Godzijdank was er toevallig een vrouw op bezoek in het atelier die het zag escaleren. Zij is ertussen gedoken. Daarna heb ik hem niet meer gezien.’

Stilleven, 1998, 280 x 35 cm

Justus: ‘Ik ben hem nog één keer tegengekomen in (de toenmalige Leidse coffeeshop, red.) Coffee & Dreams. Hij zei alleen “hoi” en wilde verder niet praten.’

Gijs: ‘Zijn laatste dag heeft hij met onze vader doorgebracht. Hij kon niet blijven slapen omdat hij nog “een belangrijke afspraak” had. Voordat hij er in het atelier een eind aan heeft gemaakt, is hij nog langs de moeder van een goede vriend gegaan, om een grote tas met dure merkkleding en maatpakken af te geven. “Die heb ik niet meer nodig”, zei hij, “want ik ga een lange reis maken”.’

Justus: ‘Op zijn laatste zelfportret steekt hij zijn tong uit.’

Gijs: ‘Alsof hij wilde zeggen: “Sliep uit, ik ben weg.”’

Justus: ‘De verf was nog nat toen ze hem vonden. Iemand heeft gezien dat er onder de gele achtergrond eerst nog een tekst voor ons stond: “Mazzel eikels” of zoiets. Dat zouden we nog eens met röntgenfoto’s moeten uitzoeken.’

Gijs: ‘Naast dat zelfportret stond nog zo’n zelfde paneel waarop hij onze namen en een vredesteken had geschilderd. Dat lijkt toch een soort verzoeningsgebaar. Dat biedt wel troost.’

Het laatste zelfportret van Aad Donker, 1998, 57 x 54 cm.

Menno Voskuil, Aad Donker & After Nature. Primavera Pers, 248 pgs, €39,50.

Op dinsdag 24 mei houdt de Historische Vereniging Oud Leiden een avond over het werk van Aad Donker. Marijke Tolsma interviewt Gijs Donker en Menno Voskuil. Lokhorstkerk, 20.00 u.

Praten over zelfdoding kan bij hulp- en preventielijn 0800-0113. Chatten kan via 113.nl