Christiaan Weijts - Bolwerk van Bastaards

Illustratie Silas

Door Christiaan Weijts

Ik ben makelaar in zaad en waar ik woon gaat je geen zak aan. Ik ben de corrosie in je blikken koninkrijk, de houtrot in je gebeitste geweten, en ik ben niet langer van plan om de geheimen te verzwijgen die verder gaan dan alle woorden samen.
Ik ben het, die je ’s morgens om half twaalf in het college zag binnenkomen waarvoor ik niet eens stond ingeschreven en waarvoor ik wel het allerhoogste cijfer haalde. Ik, het wonderkind dat geen enkel schooldiploma had maar wel alle vakken afliep – van alfa tot gamma, de hele zwik. Ik, die een tonijnennet vol tentamenbriefjes binnensleepte, een containerloods vol studiepunten, en dat terwijl ze altijd zeiden: met dat kind zal het nooit wat worden. Ik, die je in de gang kon horen aankomen – klik, tík… klik, ták – op de stilettohakken die je nog wel eens in je dromen hoort als je te zwaar getafeld hebt onder professoren.
Ah, ik wist precies hoe ik ze pakken moest. De zwakte van intelligente mannen is dat ze teveel denken en te weinig neuken. Je hoeft ze maar aan te blijven kijken, iets te lang, terwijl je één hoektand over je onderlip laat glijden, en ze komen al bijna klaar. Je hoeft maar bij ze aan te kloppen, bij voorkeur in een kort leren rokje – ‘professor, hoe zat het nu toch met die thermodynamica, die accusativus respectus, dat artikel 285b, die slag bij Hoenderloo…?’ – en je hebt ze. Sommigen hadden meer werk nodig. Linguïsten en biochemici, dat waren de lastigste klanten, maar des te groter de kick van de verovering. Daar ging het me om. In het begin tenminste. Het domme, hersenloze wicht was ik dat wraak nam met de lokroep van haar kutje. Ja, haar soepele kutje dat zich glibberend liet zakken op profesorenpikken in parkeergarages of invalidetoiletten – vooral de juristen kickten op alles wat in het geniep gebeurde, terwijl de letterkundigen liever uitpakten met een sjiek gelegenheidskamertje in het Snouck Hurgronjehuis, op de zolder van het Academiegebouw of, in één ingewikkeld maar niet onplezierig geval, op de leestafel van de Bibliotheca Thysiana.
Zo sprokkelde ik meer punten bijeen dan een bebrild rasgenie in zes celibataire bikkeljaren. Onder professoren, en soms erop, dat donderde niet. De hoofdzaak was dat we bezig waren. Zo ging het, ik zweer het, tot ik op een dag een ontmoeting had in een ranzige opslagkamer van een ranzig laboratorium aan de ranzige Wassenaarseweg. De weledelzeergeleerde geilbeer van dienst vond het nodig om te vertellen dat dit lab ooit een mortuarium was geweest – het kwam nog voor in een boek van Jan Wolkers, hijgde hij, terwijl hij m’n slipje op m’n enkels trok en me omdraaide om m’n billen rood te meppen. Godallejezus, de karrevrachten aan perversiteiten die er woekeren in de hoogste regionen van de academie hebben me altijd verbaasd maar deze hooggeleerde hobby-Einstein, die ik moest pijpen in zijn labjas, die spande toch wel de kroon. En maar blijven kleppen terwijl hij in m’n mondje bleef stoten, hele colleges. Na afloop begon hij – waarschijnlijke omdat ik zijn bedorven zaad niet doorslikte maar kokhalzend uitspuugde – over cryopreservatie. En dat bracht mij op het hele plan, die cryopreservatie van die mortuariumprof.
Cryopreservatie is, zoals jullie met je doctorsbullen in jullie pronkende rode peniskokertjes allemaal wel weten, de kunst om zaadcellen in te vriezen. En ziet, daar in dat grafdonkere moordenaarshol, terwijl dat zweetsokkenzaad nog van mijn kin droop en mijn handen nog vastgebonden zaten aan een stellingkast (een klein detail dat ik in alle walgende opwinding nog vergeten was te vermelden), ziet, daar verscheen mij het visioen, in al zijn majestueuze grootsheid, ‘met de heldere vanzelfsprekendheid van elk waarachtig eureka,’ zoals een andere toganeuker me eens in extase had toegefluisterd. Daar was het. Ik wist het.
Ik wist het meteen. En ik huilde van geluk.
Ik moest die grafjurk nog wel twaalf keer verdragen, met z’n rotte kiezen van het Fruittella’s vreten, voor hij me toegang gaf tot het lab, en de diepvriesladen die mijn ark van Noach werden, de diepvriesladen waar ik vanaf die dag al die professoraal volgespoten condooms in leegde en rangschikte op hun noteringen in internationale ranking-lijsten, die een statisticus me al gaf voor een halve aftrekbeurt. Ik heb Spinozawinnaars en Nobelprijskandidaten in mijn prijzenkast van twaalf Kelvin.
Ik ben makelaar in zaad, of had ik dat al gezegd? De zwakte van intelligente mannen is dat ze zulke rotkoppen hebben, en toch brengen mijn diepvriesladen goud op op de zwarte zaadmarkt. Maar ik ben geen onmens, geen cockteaser, geen eennachtswip. Behalve stevige tieten heb ik ook goddomme een geweten, en meer nog: ik heb een opdracht. Daarom bevrucht ik alleen de allermooiste vrouwen. Een geniale geest in een geil lijf: dat is wat deze mensheid nodig heeft. Wie durft nog te zeggen dat ik het kind ben waar het nooit iets mee zou worden? Laat ze maar wauwelen, de aalmoezeniers van het voorbije mensenras. Laat iedereen maar sappelen en rotzooien, hoe gekker hoe beter. Laat ze zichzelf maar afbeulen op hun baantjes. Laat ze maar creperen in hun muffe werkkamertjes. Laat ze zich maar stukdrinken. Laat ze hun gezwellen en hun burn outs maar kweken. Laat ze elkaars koppen maar afzagen in de woestijn. Laat ze elkaar maar in hun reet neuken. Laat ze maar verzuipen in hun opblaasbootjes op zee. Laat ze elkaar maar neermaaien met Kalasjnikovs. De gore bloedpoel in het open riool dat we samenleving noemen zal snel zijn weggespoeld door de superieure bastaardkinderen die ik kweek uit jullie zondige offers. Ik kweek een volk van genieën in atletische lichamen.
Ik ben de stoephoer van de eugenetica en jullie slimmeriken zijn niets dan grondstof, de leveranciers voor de terreurcellen van de heilige strijd die ik voer met baarmoeders. Ik ben het Waterloo waar jullie oeverloze eigendunk zich op te pletter heeft gespiesd en ik ben gekomen om te zeggen dat jullie bastaarddochters en bastaardzonen de aarde zullen beërven en daarmee basta.
Ik, die nergens voor deugde, ik, bij wie de hoer van Babylon zelfs haar afglans verloor, ik, ik heb me gewapend tegen de vrieskou van de argwaan, ik heb me gewapend tegen het wrakhout van de achterdocht en zie mij hier: de schaduwrector van een bolwerk van bastaards, de oermoeder van een nieuwe generatie. Ik ben het meisje dat alles goed wil maken. En zie, ik maak alle mensen nieuw. En ik zal ze liefhebben.
Ik zal ze liefhebben, als de liefste vrouw op aarde.

Christiaan Weijts (1976) studeerde Nederlands en literatuurwetenschap in Leiden en werkte daarna als redacteur bij Mare. Met zijn debuut Art. 285b (2006) won hij de Anton Wachterprijs. Via Capello 23 (2008) kreeg de Gerald Walschapprijs en Euforie (2012) de BNG Nieuwe Literatuurprijs. Zijn laatste roman heet De linkshandigen (2014)

Deel dit bericht:

Voorpagina

Achtergrond

De Brusselmanscultus

De mooie jonge oppergod van de Vlaamse Letteren, zoals Herman Brusselmans zich vroeger …

Galerij der Groten

Wat hebben P.C. Hooft, F. Bordewijk, Boudewijn Büch en David van Reybrouck gemeen? …

Wetenschap

Leven voor kreeften

De Bibliotheca Carcinologica van de Leidse kreeftenkenner Lipke Holthuis is zo bijzonder …

Mama's zwijgrecht

In De stilte van Thé ontdekt hoofdpersoon Sophie pas op haar achttiende dat ze is …

De andersdenkenden

De Tweede Wereldoorlog, de koloniën en de Koude Oorlog: schrijvers uit de jaren …

Studentenleven

English page